Translation of "appoint" into Dutch
aanstellen, benoemen, bepalen are the top translations of "appoint" into Dutch.
(transitive): To fix with power or firmness; to establish; to mark out. [..]
-
aanstellen
verbbenoemen [..]
They appointed Mr. White as manager.
Ze hebben meneer White als manager aangesteld.
-
benoemen
verbTo assign, designate, or set apart by authority [..]
He will be appointed by a unanimous vote of the shareholders' meeting.
Hij zal bij eenparigheid door de vergadering van aandeelhouders worden benoemd.
-
bepalen
verbto constitute; to ordain; to prescribe; to fix the time and place of
Moreover, some dealers have reacted by offering some services without prior appointment.
Verder hebben dealers gereageerd door bepaalde werkzaamheden zonder afspraak aan te bieden.
-
Less frequent translations
- vaststellen
- wijzen
- aanwijzen
- kiezen
- aanduiden
- verkiezen
- beschikken
- uitkiezen
- uitwijzen
- uitduiden
- uitpikken
- uitlezen
- tentoonspreiden
- uitzoeken
- tekenen
- tonen
- vertonen
- aangeven
- merken
- kenmerken
- een teken geven
- laten zien
- toewijzen
- vastmaken
- tuigeren
- fixeren
- bevestigen
- voor het gerecht dagen
- bestemmen
- opdragen
- afvaardigen
- delegeren
- voorschrijven
- toekennen
- binden
- verbinden
- inrichten
- definiëren
- aanbranden
- onderbinden
- vastbinden
- meren
- aanbinden
- toedichten
- uitrusten
- toeschrijven
- laden
- bestellen
- vastleggen
- aansluiten
- omschrijven
- belasten met
- opdracht geven
- plaatsen
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "appoint" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "appoint" with translations into Dutch
-
aangesteld · benoemd
-
agenda · dagorde · zakalmanak
-
vaste aanstelling
-
afspreken · een afspraak maken
-
Gegevens van afspraak
-
aanstelling · afspraak · akkoord · ambt · baan · benoeming · bepaling · beroep · beschikking · betrekking · boodschap · colloquium · commissie · een afspraak maken · inrichting · kandidaatstelling · leeropdracht · lokaal · lokaliteit · ontmoeting · oord · opdracht · plaats · plein · plek · post · rendez-vous · rendez‐vous · ruimte · symposium · uitrusting · voorschrift · wachtpost · werkkring · zetel
-
afspreken · een afspraak maken
-
afspraken · inrichting · toerusting · uitrusting