Translation of "ascend" into Dutch
stijgen, opgaan, bestijgen are the top translations of "ascend" into Dutch.
ascend
verb
grammar
(intransitive) To move upward, to fly, to soar. [..]
-
stijgen
verbto go up, to fly, to soar [..]
The crime in Miami ascended and the tourism lowered.
In Miami stijgt het misdaadcijfer en daalt het toerisme.
-
opgaan
verbto go up, to fly, to soar
The specified sweep time is that of an ascending plus a descending sweep.
De opgegeven aftasttijd is die van een opgaand en een neergaand traject.
-
bestijgen
verbNaar boven gaan, vliegen, zweven. [..]
Even the Prince begged me in writing to ascend the throne.
Zelfs de hertog vroeg me schriftelijk om de troon te bestijgen.
-
Less frequent translations
- rijzen
- opstijgen
- klimmen
- opkomen
- opstaan
- beklimmen
- oplopen
- verrijzen
- wassen
- naar boven gaan
- opvaren
- uitstijgen
- afdalen
- uitgaan
- uitkomen
- uittreden
- uitstappen
- zinken
- uitlopen
- naar beneden gaan
- omhoog gaan
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "ascend" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "ascend" with translations into Dutch
-
sorteer oplopend
-
oplopende volgorde
-
oplopend sorteren
-
Ascending pharyngeal artery
-
beklimmen · bestijgen · klimmen · naar boven gaan · opgaan · opkomen · opstaan · opstijgen · rijzen · stijgen · verrijzen · wassen
-
in oplopende volgorde · oplopend
-
invloed · overwicht
-
autoriteit · beslissingsbevoegdheid · bestel · bestuur · bevel · bewind · commando · gedrag · gezag · gouvernement · heerschappij · houding · koningschap · leiding · macht · manieren · onderhoud · overheid · regering · rijk · rondleiding · staat · verpleging · verzorging · zeggenschap
Add example
Add