Translation of "competency" into Dutch
competentie, bekwaamheid, bevoegdheid are the top translations of "competency" into Dutch.
(obsolete) A sufficient supply (of). [..]
-
competentie
nounability to perform some task [..]
It is not a matter entirely of competence either.
Het is ook niet uitsluitend een zaak van competentie.
-
bekwaamheid
noun feminineability to perform some task
This competence can be accomplished by teams, which together possess the total competence required
Aan deze bekwaamheidseisen kan worden voldaan door teams die tezamen alle vereiste bekwaamheden bezitten
-
bevoegdheid
noun femininelaw: meeting specified qualifications to perform
Within the framework of their competences, they should act and cooperate for the benefit of the Union.
Zij moeten optreden in het kader van hun bevoegdheden en samenwerken in het belang van de Unie.
-
Less frequent translations
- kennis
- kunde
- besef
- bewustzijn
- kenvermogen
- medeweten
- bezinning
- rechtsbevoegdheid
- wetenschap
- bekendheid
- verstand
- bekende
- relatie
- kennen
- weten
- vakbewaamheid
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "competency" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Translations with alternative spelling
"Competency" in English - Dutch dictionary
Currently, we have no translations for Competency in the dictionary, maybe you can add one? Make sure to check automatic translation, translation memory or indirect translations.
Phrases similar to "competency" with translations into Dutch
-
bevoegde rechtbank
-
concurreren · meedingen · strijden · wedijveren
-
wetgevende bevoegdheid
-
concurrerend
-
begaafd · bekwaam · bevoegd · capabel · competent · conpetent · deskundig · gerechtigd · getalenteerd · in staat · kunnen · meesterlijk · toereikend · vaardig · vakkundig · volleerd · volmaakt · zaakkundig
-
bevoegdheid van de lidstaten
-
adres · bedrevenheid · bekende · bekendheid · bekwaamheid · besef · bevoegdheid · bewustzijn · bezinning · competentie · deskundigheid · expertise · handigheid · kennen · kennis · kenvermogen · kunde · kundigheid · medeweten · rechtsbevoegdheid · relatie · slag · vaardigheid · vakbewaamheid · verstand · vlugheid · weten · wetenschap
-
bevoegdheid van de uitvoerende macht