Translation of "hacking" into Dutch
hacken is the translation of "hacking" into Dutch.
hacking
adjective
noun
verb
grammar
Short and interrupted, broken, jerky; hacky. [..]
-
hacken
computer activity
She tried to steal the military hack off Josh's computer.
Ze probeerde de hack van Josh's laptop te stelen.
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "hacking" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "hacking" with translations into Dutch
-
afbreken · afhakken · afhouwen · afkappen · afleggen · aflopen · afslachten · bedaren · beitel · beitelen · bevangen · bijlslag · de moed ontnemen · delven · deprimeren · doden · doodmaken · doodschieten · doorgaan · filet · fnuiken · fusilleren · gaan door · geruststellen · hak · hakken · houw · houweel · houwen · jaap · kalmeren · kappen · kerf · kleinmaken · knol · kraken · kuch · kuchen · litteken · moot · neerdrukken · neerhalen · neerkomen · neerslachtig maken · neervellen · ombrengen · omhakken · omkappen · ontmoedigen · opduikelen · opgraven · overwinnen · plak · programmeren · putten uit · rooien · schijf · schoffel · slachten · slag · slijpen · slopen · snede · snee · sneetje · snerpen · snijden · snijwond · stoot · taxichauffeur · taxichauffeuse · terneerdrukken · uitgraven · uitknippen · uitputten · vellen · vernederen · verootmoedigen · verslaan · verzwakken · winnen · wippen · wondteken · zegevieren
-
Hack and slash
-
kruk · sukkelaar
-
Sabine Hack
-
hacken · hakken · kappen
-
Hack-Tic
-
Olivia Hack
-
afbreken · afhakken · afhouwen · afkappen · afleggen · aflopen · afslachten · bedaren · beitel · beitelen · bevangen · bijlslag · de moed ontnemen · delven · deprimeren · doden · doodmaken · doodschieten · doorgaan · filet · fnuiken · fusilleren · gaan door · geruststellen · hak · hakken · houw · houweel · houwen · jaap · kalmeren · kappen · kerf · kleinmaken · knol · kraken · kuch · kuchen · litteken · moot · neerdrukken · neerhalen · neerkomen · neerslachtig maken · neervellen · ombrengen · omhakken · omkappen · ontmoedigen · opduikelen · opgraven · overwinnen · plak · programmeren · putten uit · rooien · schijf · schoffel · slachten · slag · slijpen · slopen · snede · snee · sneetje · snerpen · snijden · snijwond · stoot · taxichauffeur · taxichauffeuse · terneerdrukken · uitgraven · uitknippen · uitputten · vellen · vernederen · verootmoedigen · verslaan · verzwakken · winnen · wippen · wondteken · zegevieren
Add example
Add