Translation of "postponement" into Dutch

uitstel, verdaging, opschorting are the top translations of "postponement" into Dutch.

postponement noun grammar

A delay, as a formal delay in a proceeding. [..]

+ Add

English-Dutch dictionary

  • uitstel

    noun neuter

    A delay, as a formal delay in a proceeding. [..]

    I'll postpone my trip to Scotland until it's warmer.

    Ik zal mijn reis naar Schotland uitstellen tot het warmer is.

  • verdaging

    noun feminine

    A delay, as a formal delay in a proceeding.

    For this reason, we ask the House to vote in favour of our request for postponement.

    Daarom vragen wij het Parlement in te stemmen met ons verzoek om verdaging.

  • opschorting

    A delay, as a formal delay in a proceeding.

    Now again, all cannons are directed to the Council and postponement is being proposed.

    Nu zijn weer alle kanonnen gericht op de Raad en wordt weer opschorting voorgesteld.

  • Less frequent translations

    • oponthoud
    • verlating
    • verlet
    • verschuiving
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "postponement" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Translations with alternative spelling

Postponement
+ Add

"Postponement" in English - Dutch dictionary

Currently, we have no translations for Postponement in the dictionary, maybe you can add one? Make sure to check automatic translation, translation memory or indirect translations.

Phrases similar to "postponement" with translations into Dutch

  • aanhouden · achterstellen · achteruitgaan · achteruitlopen · afdanken · afmonsteren · afstaan · afwisselen · doorsturen · doorzenden · heruitzenden · ontslaan · ontzetten · opschorten · opschuiven · refereren · reflecteren · rekken · retourneren · royeren · schelen · schorsen · spiegelen · talmen · terrein verliezen · terugbezorgen · terugdeinzen · teruggaan · teruggooien · terugkaatsen · teruglopen · terugsturen · terugwerpen · terugwijzen · toegeven · uitdrijven · uiteenlopen · uitstellen · variëren · verdagen · verdrijven · verjagen · verlopen · verschillen · verschuiven · vertragen · verwijzen · weerkaatsen · weerspiegelen · wegdrijven · wegjagen · werken · wijken
  • uitgesteld
  • aanhouden · opschorten · uitstellen · verdagen · verschuiven
  • aanhouden · achterstellen · achteruitgaan · achteruitlopen · afdanken · afmonsteren · afstaan · afwisselen · doorsturen · doorzenden · heruitzenden · ontslaan · ontzetten · opschorten · opschuiven · refereren · reflecteren · rekken · retourneren · royeren · schelen · schorsen · spiegelen · talmen · terrein verliezen · terugbezorgen · terugdeinzen · teruggaan · teruggooien · terugkaatsen · teruglopen · terugsturen · terugwerpen · terugwijzen · toegeven · uitdrijven · uiteenlopen · uitstellen · variëren · verdagen · verdrijven · verjagen · verlopen · verschillen · verschuiven · vertragen · verwijzen · weerkaatsen · weerspiegelen · wegdrijven · wegjagen · werken · wijken
  • aanhouden · achterstellen · achteruitgaan · achteruitlopen · afdanken · afmonsteren · afstaan · afwisselen · doorsturen · doorzenden · heruitzenden · ontslaan · ontzetten · opschorten · opschuiven · refereren · reflecteren · rekken · retourneren · royeren · schelen · schorsen · spiegelen · talmen · terrein verliezen · terugbezorgen · terugdeinzen · teruggaan · teruggooien · terugkaatsen · teruglopen · terugsturen · terugwerpen · terugwijzen · toegeven · uitdrijven · uiteenlopen · uitstellen · variëren · verdagen · verdrijven · verjagen · verlopen · verschillen · verschuiven · vertragen · verwijzen · weerkaatsen · weerspiegelen · wegdrijven · wegjagen · werken · wijken
  • aanhouden · achterstellen · achteruitgaan · achteruitlopen · afdanken · afmonsteren · afstaan · afwisselen · doorsturen · doorzenden · heruitzenden · ontslaan · ontzetten · opschorten · opschuiven · refereren · reflecteren · rekken · retourneren · royeren · schelen · schorsen · spiegelen · talmen · terrein verliezen · terugbezorgen · terugdeinzen · teruggaan · teruggooien · terugkaatsen · teruglopen · terugsturen · terugwerpen · terugwijzen · toegeven · uitdrijven · uiteenlopen · uitstellen · variëren · verdagen · verdrijven · verjagen · verlopen · verschillen · verschuiven · vertragen · verwijzen · weerkaatsen · weerspiegelen · wegdrijven · wegjagen · werken · wijken
Add

Translations of "postponement" into Dutch in sentences, translation memory