Translation of "quarreling" into Dutch

gekibbel is the translation of "quarreling" into Dutch.

quarreling noun particle grammar

Present participle of quarrel. [..]

+ Add

English-Dutch dictionary

  • gekibbel

    neuter

    Then there is peace, no bickering or quarreling over trivial things.

    Dan is er vrede, geen gekibbel of onenigheid om onbeduidende dingen.

  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "quarreling" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "quarreling" with translations into Dutch

  • burenruzie
  • discussiëren · redetwisten · ruzie maken · ruziën
  • bakkeleien · bekvechten · betwisting · conflict · discussie · discussiëren · dispuut · geruzie · geschil · geschilpunt · harrewarren · heibel · herrie · kibbelen · kibbelpartij · kibelen · kiften · kijven · krakelen · kribben · kwestie · mot · onenigheid · onenigheid hebben · onmin · redetwist · redetwisten · rusiemaken · ruzie · ruzie maken · ruzieën · ruziën · schimpen · strijd · tweespalt · twist · twisten · twistgesprek
  • ruzie
  • bakkeleien · bekvechten · betwisting · conflict · discussie · discussiëren · dispuut · geruzie · geschil · geschilpunt · harrewarren · heibel · herrie · kibbelen · kibbelpartij · kibelen · kiften · kijven · krakelen · kribben · kwestie · mot · onenigheid · onenigheid hebben · onmin · redetwist · redetwisten · rusiemaken · ruzie · ruzie maken · ruzieën · ruziën · schimpen · strijd · tweespalt · twist · twisten · twistgesprek
  • bakkeleien · bekvechten · betwisting · conflict · discussie · discussiëren · dispuut · geruzie · geschil · geschilpunt · harrewarren · heibel · herrie · kibbelen · kibbelpartij · kibelen · kiften · kijven · krakelen · kribben · kwestie · mot · onenigheid · onenigheid hebben · onmin · redetwist · redetwisten · rusiemaken · ruzie · ruzie maken · ruzieën · ruziën · schimpen · strijd · tweespalt · twist · twisten · twistgesprek
  • bakkeleien · bekvechten · betwisting · conflict · discussie · discussiëren · dispuut · geruzie · geschil · geschilpunt · harrewarren · heibel · herrie · kibbelen · kibbelpartij · kibelen · kiften · kijven · krakelen · kribben · kwestie · mot · onenigheid · onenigheid hebben · onmin · redetwist · redetwisten · rusiemaken · ruzie · ruzie maken · ruzieën · ruziën · schimpen · strijd · tweespalt · twist · twisten · twistgesprek
  • discussiëren · redetwisten · ruzie maken · ruziën
Add

Translations of "quarreling" into Dutch in sentences, translation memory