Translation of "take" into Dutch

nemen, pakken, aannemen are the top translations of "take" into Dutch.

take Verb verb noun grammar

(transitive) To grasp with the hands. [..]

+ Add

English-Dutch dictionary

  • nemen

    verb

    to get into one's possession [..]

    I take it you haven't heard from Tom.

    Ik neem het aan dat je van Tom niets meer gehoord hebt.

  • pakken

    verb

    to grab with the hands [..]

    We need to hire someone to take care of this problem.

    We moeten iemand inhuren om dit probleem aan te pakken.

  • aannemen

    verb

    Aanvaarden zonder verificatie of bewijs.

    The doctor would not take any gifts from the poor.

    De dokter wilde geen giften aannemen van de armen.

  • Less frequent translations

    • brengen
    • aanvaarden
    • accepteren
    • vatten
    • duren
    • bezetten
    • ontvangen
    • aanvatten
    • erkennen
    • bekleden
    • afnemen
    • wegnemen
    • afpakken
    • weghalen
    • afhalen
    • gebruiken
    • inhouden
    • oprapen
    • beslaan
    • bezig houden
    • in beslag nemen
    • meenemen
    • opname
    • vangen
    • aftrekken
    • kopen
    • afsnijden
    • aftellen
    • worden
    • afsteken
    • treffen
    • overnemen
    • korten
    • innemen
    • rissen
    • vergen
    • opnemen
    • ritsen
    • krijgen
    • trekken
    • verwijderen
    • ontvangst
    • behalen
    • meebrengen
    • bemachtigen
    • waarnemen
    • bezorgen
    • medenemen
    • overbrengen
    • vergaderen
    • aandragen
    • doen
    • medebrengen
    • kosten
    • aanbrengen
    • halen
    • maken
    • volgen
    • ontnemen
    • opvatten
    • dragen
    • stellen
    • bezigen
    • opbrengst
    • opstellen
    • begrijpen
    • beoordelen
    • veronderstellen
    • benemen
    • opmaken
    • uitvoeren
    • elimineren
    • vangst
    • bewaren
    • uitmaken
    • aansporen
    • keuren
    • inwonen
    • wegzetten
    • wegdoen
    • bergen
    • wegleggen
    • bewonen
    • bezielen
    • aanschaffen
    • bijeenbrengen
    • opdoeken
    • opbergen
    • afschaffen
    • voorleiden
    • grijpen
    • kiezen
    • beschouwen
    • verdragen
    • veroveren
    • incasseren
    • ondergaan
    • uitkiezen
    • verwijten
    • opteren
    • vastnemen
    • beetpakken
    • berispen
    • graaien
    • verduren
    • kritiseren
    • dulden
    • lijden
    • aanmanen
    • manen
    • gedogen
    • belegeren
    • herwinnen
    • grissen
    • selecteren
    • harden
    • terechtwijzen
    • onderscheppen
    • restitueren
    • herkrijgen
    • redigeren
    • vergelden
    • vastgrijpen
    • terugstorten
    • beknorren
    • stileren
    • toegrijpen
    • velen
    • terugbetalen
    • ervan uitgaan
    • nodig hebben
    • richten op
    • streven naar
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "take" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Images with "take"

Phrases similar to "take" with translations into Dutch

Add

Translations of "take" into Dutch in sentences, translation memory