Translation of "upbraid" into Dutch

berispen, beknorren, verwijten are the top translations of "upbraid" into Dutch.

upbraid verb noun grammar

(obsolete) The act of reproaching; contumely. [..]

+ Add

English-Dutch dictionary

  • berispen

    verb

    When Mary upbraided Him for not being with them, He answered, “Wist ye not that I must be about my Father’s business?”

    Toen Maria Hem berispte omdat Hij weggegaan was, antwoordde Hij: ‘Wist u niet dat Ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader?’

  • beknorren

  • verwijten

    verb

    And now you upbraid me because I can' t work

    En nu verwijt je me, dat ik niet meer kan werken

  • Less frequent translations

    • terechtwijzen
    • aanmanen
    • manen
    • aansporen
    • uitkafferen
    • een standje geven
    • brullen
    • bulderen
    • daveren
    • herkrijgen
    • herwinnen
    • kritiseren
    • loeien
    • restitueren
    • terugstorten
    • vergelden
    • terugbetalen
    • bedreigen
    • dreigen
    • keuren
    • beoordelen
    • bekijven
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "upbraid" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate
Add

Translations of "upbraid" into Dutch in sentences, translation memory