Translation of "dispute" into Dutch

dispuut, ruzie, twist are the top translations of "dispute" into Dutch.

dispute noun feminine grammar

Discussion ou désaccord, où l'on n'arrive pas à se mettre d'accord. [..]

+ Add

French-Dutch dictionary

  • dispuut

    noun neuter

    Discussion ou désaccord, où l'on n'arrive pas à se mettre d'accord. [..]

    Et les disputes se réglaient avec les poings, pas des armes.

    Als mensen een dispuut hadden, regelden ze het met hun vuisten, niet met geweren.

  • ruzie

    noun feminine

    Luide en heftige verbale confrontatie tussen twee of meerdere personen. [..]

    Tom et Jane se sont disputés, mais ils se sont réconciliés le lendemain matin.

    Tom en Jane hadden ruzie, maar de volgende morgen was het al bijgelegd.

  • twist

    noun

    Luide en heftige verbale confrontatie tussen twee of meerdere personen.

    ” Pareil vaurien élabore des plans retors et provoque constamment des disputes.

    Zo’n nietswaardig mens smeedt boze plannen en ontketent aldoor twisten.

  • Less frequent translations

    • geschil
    • onenigheid
    • woordenwisseling
    • strijd
    • conflict
    • twistgesprek
    • redetwist
    • woordenstrijd
    • heibel
    • herrie
    • kwestie
    • discussie
    • geruzie
    • argument
    • kibbelpartij
    • vijandige rivaliteit
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "dispute" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "dispute" with translations into Dutch

  • Dispuut over het Heilige Sacrament
  • bakkeleien · bekvechten · disputeren · kiften · kijven · krakelen · onenigheid hebben · redetwisten · ruzie · ruzie maken · ruzieën · ruziën · strijden · twisten
  • aanvechten · bekvechten · berispen · bestrijden · betwisten · concurreren · disputeren · een standje geven · kibbelen · meedingen · redetwisten · ruzie maken · ruzieën · strijden · tegenspreken · twisten · verwijten · wedijveren
  • in conflict zijn
  • betwist gebied
  • bakkeleien · bekvechten · disputeren · kiften · kijven · krakelen · onenigheid hebben · redetwisten · ruzie · ruzie maken · ruzieën · ruziën · strijden · twisten
  • aanvechten · bekvechten · berispen · bestrijden · betwisten · concurreren · disputeren · een standje geven · kibbelen · meedingen · redetwisten · ruzie maken · ruzieën · strijden · tegenspreken · twisten · verwijten · wedijveren
Add

Translations of "dispute" into Dutch in sentences, translation memory