Translation of "fazer" into Dutch

doen, maken, bedrijven are the top translations of "fazer" into Dutch.

fazer verb grammar
+ Add

Portuguese-Dutch dictionary

  • doen

    verb

    een actie ondernemen [..]

    Mesmo que eu quisesse, eu não poderia fazer aquilo.

    Zelfs als ik het zou willen, zou ik dat niet kunnen doen.

  • maken

    verb

    Iets creëren, werken of wat werk verrichten met resultaat; iets bouwen; produceren; verzorgen, of veroorzaken dat iets ontstaat. [..]

    Se amanhã nevar, eu farei um boneco de neve.

    Als het morgen sneeuwt, maak ik een sneeuwpop.

  • bedrijven

    verb noun

    Iets doen, bedrijven of volbrengen.

    Os intermediários financeiros devem fazer chegar esses empréstimos às pequenas empresas.

    De financiële tussenpersonen moeten deze leningen aan de kleine bedrijven doorgeven.

  • Less frequent translations

    • creëren
    • aanmaken
    • uitvoeren
    • scheppen
    • bouwen
    • uitrichten
    • fabriceren
    • aanleggen
    • uitbrengen
    • construeren
    • installeren
    • fitten
    • vervaardigen
    • zijn
    • brengen
    • stellen
    • leggen
    • zetten
    • zitten
    • stoppen
    • steken
    • plaatsen
    • produceren
    • poseren
    • vormen
    • veroorzaken
    • bakken
    • koken
    • optreden
    • situeren
    • stationeren
    • laten
    • geven
    • werken
    • handelen
    • verrichten
    • bewerkstelligen
    • opereren
    • uitwerken
    • voortbrengen
    • ageren
    • ontwikkelen
    • bezig zijn
    • effect sorteren
    • laten doen
    • te werk gaan
    • uitwerking hebben
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "fazer" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "fazer" with translations into Dutch

Add

Translations of "fazer" into Dutch in sentences, translation memory