Translation of "aandryf" into Dutch
aandrijven, voortdrijven, drijven are the top translations of "aandryf" into Dutch.
-
aandrijven
verbDie son se verwarmende strale laat ook die briese in beweging kom wat windaangedrewe kragopwekkers aandryf.
De warme stralen van de zon veroorzaken ook de wind waardoor windturbines worden aangedreven.
-
voortdrijven
verbWie se invloed dryf die nasies na die wêreldsituasie wat op oorlog teen God gaan uitloop?
Onder welke invloed worden de natiën voortgedreven naar de wereldsituatie die op een oorlog tegen God zal uitlopen?
-
drijven
verbPuriteinse onverdraagsaamheid het mense uit Massachusetts verdryf en tot die groei van ander kolonies bygedra.
De puriteinse onverdraagzaamheid dreef mensen uit Massachusetts weg en droeg bij tot de groei van andere kolonies.
-
Less frequent translations
- opjagen
- aanduwen
- douwen
- duwen
- stoten
- dringen
- narennen
- duw
- najagen
- achtervolgen
- stoot
- vervolgen
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "aandryf" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "aandryf" with translations into Dutch
-
afdrijven
-
aanleggen · aanmaken · aanvullen · ageren · assureren · bedrijf · bedrijven · behoeden · beloven · beroep · beschermen · betuigen · beveiligen · bewerkstelligen · bezig zijn · bijwerken · borg staan voor · bouwen · broodwinning · completeren · construeren · dempen · doen · doorvoeren · effect sorteren · fabriceren · fitten · garanderen · handelen · in veiligheid brengen · industrie · installeren · invullen · laten · laten doen · leggen · maken · nakomen · naleven · opereren · optreden · plaatsen · poseren · professie · realiseren · situeren · spekken · sponsoren · stationeren · steken · stellen · stoppen · supplementeren · te werk gaan · toezeggen · tot stand brengen · uitbrengen · uitloven · uitrichten · uitvoeren · uitwerken · uitwerking hebben · veilig stellen · verrichten · vervaardigen · vervullen · verwerkelijken · verwezenlijken · verzeggen · verzekeren · voleinden · volmaken · volschenken · voltrekken · vrijwaren · vullen · waarborgen · werken · zetten · zitten
-
aandrijven · aanduwen · achtervolgen · afdrijven · afleiden · aftappen · dobberen · douwen · drijven · dringen · duw · duwen · op drift zijn · opjagen · stoot · stoten · vlotten · voortdrijven · zweven