Translation of "dryf" into Dutch
drijven, aandrijven, voortdrijven are the top translations of "dryf" into Dutch.
-
drijven
verbPuriteinse onverdraagsaamheid het mense uit Massachusetts verdryf en tot die groei van ander kolonies bygedra.
De puriteinse onverdraagzaamheid dreef mensen uit Massachusetts weg en droeg bij tot de groei van andere kolonies.
-
aandrijven
verbDie son se verwarmende strale laat ook die briese in beweging kom wat windaangedrewe kragopwekkers aandryf.
De warme stralen van de zon veroorzaken ook de wind waardoor windturbines worden aangedreven.
-
voortdrijven
verbSpoele (4) in die spoor veroorsaak ’n magnetiese veld wat die trein aandryf.
Spoelen (4) in de baan produceren een magnetisch veld waardoor de trein wordt voortgedreven.
-
Less frequent translations
- opjagen
- vlotten
- duwen
- dobberen
- aanduwen
- douwen
- stoten
- dringen
- zweven
- afdrijven
- narennen
- vlieten
- aftappen
- duw
- najagen
- achtervolgen
- stoot
- afleiden
- vervolgen
- op drift zijn
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "dryf" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "dryf" with translations into Dutch
-
afdrijven
-
aandrijven · aanduwen · achtervolgen · douwen · drijven · dringen · duw · duwen · najagen · narennen · opjagen · stoot · stoten · vervolgen · voortdrijven
-
aanleggen · aanmaken · aanvullen · ageren · assureren · bedrijf · bedrijven · behoeden · beloven · beroep · beschermen · betuigen · beveiligen · bewerkstelligen · bezig zijn · bijwerken · borg staan voor · bouwen · broodwinning · completeren · construeren · dempen · doen · doorvoeren · effect sorteren · fabriceren · fitten · garanderen · handelen · in veiligheid brengen · industrie · installeren · invullen · laten · laten doen · leggen · maken · nakomen · naleven · opereren · optreden · plaatsen · poseren · professie · realiseren · situeren · spekken · sponsoren · stationeren · steken · stellen · stoppen · supplementeren · te werk gaan · toezeggen · tot stand brengen · uitbrengen · uitloven · uitrichten · uitvoeren · uitwerken · uitwerking hebben · veilig stellen · verrichten · vervaardigen · vervullen · verwerkelijken · verwezenlijken · verzeggen · verzekeren · voleinden · volmaken · volschenken · voltrekken · vrijwaren · vullen · waarborgen · werken · zetten · zitten
-
verdrijven
-
uitdrijven
-
indrijven
-
overdrijven