Translation of "aantrek" into Dutch

aantrekken, kleden, aankleden are the top translations of "aantrek" into Dutch.

aantrek
+ Add

Afrikaans-Dutch dictionary

  • aantrekken

    verb

    Niks anders trek ons so kragtig tot Jehovah aan as sy liefde nie.

    Er is niets waardoor we ons zo sterk tot Jehovah aangetrokken voelen als zijn liefde.

  • kleden

    verb

    Iets of iemand kleding aantrekken.

    Ek het gevind dat ek nog steeds goed kon aantrek—maar teen ’n kwart van die prys.

    Ik ontdekte dat ik nog steeds goed gekleed kon gaan, maar voor een kwart van de prijs.

  • aankleden

    verb

    Iets of iemand kleding aantrekken.

    Of miskien kan jy hulle help om aan te trek.

    Of misschien kun je ze helpen met aankleden.

  • Less frequent translations

    • aandoen
    • opleggen
    • aanbrengen
    • opbrengen
    • doen
    • opdringen
    • steken
    • veraccijnzen
    • forceren
    • belasten
    • verplichten
    • noodzaken
    • aanslaan
    • dwingen
    • stoppen
    • plaatsen
    • zetten
    • leggen
    • stellen
    • belasting heffen op
    • zich opdringen
    • omkleden
    • bekleden
    • gebruiken
    • bepleisteren
    • indoen
    • pleisteren
    • stukadoren
    • inleggen
    • overtrekken
    • doorvoeren
    • aanwenden
    • benutten
    • accepteren
    • aanzetten
    • inzetten
    • toepassen
    • aannemen
    • voordoen
    • staan
    • ontvangen
    • in toepassing brengen
    • trekken
    • schilderen
    • tekenen
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "aantrek" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "aantrek" with translations into Dutch

  • aan de gang brengen · afbreken · afgaan · afhalen · afmatting · afnemen · afpakken · afplukken · afrijden · afrukken · afsnijden · afsteken · aftellen · aftrek · aftrekken · afvuren · apathie · bedroefdheid · consternatie · dofheid · droefgeestigheid · inhouden · korten · loomheid · losbranden · lusteloosheid · matheid · melancholie · mistroostigheid · moedeloosheid · moeheid · ontsteltenis · op weg gaan · oprapen · opstappen · plukken · rissen · ritsen · slapheid · slapte · somberheid · starten · stilstand · tijgen · tokkelen · traagheid · uitlopen · uitvaren · vadsigheid · verbijstering · vermoeidheid · vermoeienis · verslagenheid · vertrekken · weemoed · weggaan · weghalen · wegnemen · wegrijden · wegscheuren · wezenloosheid · zich verwijderen · zwaarmoedigheid
  • betrekken
  • overtrekken
  • aankleden · kleden · zich aankleden · zich kleden
  • Grote Trek
  • intrekken
  • vervolgkeuzelijst met invoervak
  • lokaal · verderf · verdwijning
Add

Translations of "aantrek" into Dutch in sentences, translation memory