Translation of "afgaan" into Dutch

afdalen, uitkomen, uittreden are the top translations of "afgaan" into Dutch.

afgaan verb grammar
+ Add

Afrikaans-Dutch dictionary

  • afdalen

    verb

    Net soos wanneer ’n dier in die valleivlakte afgaan, het die gees van Jehovah aan hulle rus verskaf.’”—Jesaja 63:11-14a.

    Net als wanneer een dier afdaalt in de valleivlakte, was het de geest van Jehovah die hun voorts rust verschafte.’” — Jesaja 63:11-14a.

  • uitkomen

    verb

    Partykeer wonder ons dalk ook wanneer God se beloftes waar gaan word.

    Ook wij vragen ons misschien weleens af wanneer Gods beloften zullen uitkomen.

  • uittreden

  • Less frequent translations

    • bestijgen
    • uitstappen
    • uitstijgen
    • zinken
    • klimmen
    • stijgen
    • rijzen
    • uitlopen
    • uitgaan
    • naar beneden gaan
    • naar boven gaan
    • afgaan
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "afgaan" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "afgaan" with translations into Dutch

  • aangaan
  • ik weet niet of hij ziek is, maar ik ga het vragen
  • aanleggen · aanmaken · aanvullen · ageren · assureren · bedrijven · behoeden · beloven · beschermen · betuigen · beveiligen · bewerkstelligen · bezig zijn · bijwerken · borg staan voor · bouwen · completeren · construeren · dempen · doen · doorvoeren · effect sorteren · fabriceren · fitten · garanderen · handelen · in veiligheid brengen · installeren · invullen · laten · laten doen · leggen · maken · nakomen · naleven · opereren · optreden · plaatsen · poseren · realiseren · situeren · spekken · sponsoren · stationeren · steken · stellen · stoppen · supplementeren · te werk gaan · toezeggen · tot stand brengen · uitbrengen · uitloven · uitrichten · uitvoeren · uitwerken · uitwerking hebben · veilig stellen · verrichten · vervaardigen · vervullen · verwerkelijken · verwezenlijken · verzeggen · verzekeren · voleinden · volmaken · volschenken · voltrekken · vrijwaren · vullen · waarborgen · werken · zetten · zitten
  • de pijp aan Maarten geven · het loodje leggen
Add

Translations of "afgaan" into Dutch in sentences, translation memory