Translation of "Biß" into Dutch
beet, hap, knauw are the top translations of "Biß" into Dutch.
Biß
noun
Noun
masculine
grammar
-
beet
noun masculineTom wurde mit dreizehn von einem Hund gebissen.
Tom was door een hond gebeten toen hij dertien was.
-
hap
noun masculineIch werde versuchen, es mit einem Bissen zu essen.
Ik zal proberen het met één hap op te eten.
-
knauw
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "Biß" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Translations with alternative spelling
biß
conjunction
verb
adposition
+
Add translation
Add
"biß" in German - Dutch dictionary
Currently, we have no translations for biß in the dictionary, maybe you can add one? Make sure to check automatic translation, translation memory or indirect translations.
Phrases similar to "Biß" with translations into Dutch
-
acuut · ad rem · agressief · bijtend · bits · bitsig · bitter · brandend · branderig · corrosief · doordringend · druk · fel · fijn · geestig · gekuist · gevat · grievend · guur · hatelijk · helder · kras · kruidig · kwiek · levendig · merkwaardig · oneerbiedig · op de voorgrond tredend · opgewekt · opmerkelijk · penetrant · pikant · prikkelend · prominent · puntig · rap · sarcastisch · schel · scherp · schril · snedig · snerpend · snibbig · snijdend · spits · spitsvondig · subtiel · tierig · uitstekend · vief · vlijmend · vlijmscherp · vooruitstekend · vooruitstrevend · wakker · zuur
-
bijtwond · knauw
-
ad patres gaan · de doodssnik geven · de eeuwigheid in gaan · de geest geven · de grote reis aanvaarden · de wereld verlaten · expireren · heengaan · het hoekje om gaan · het leven laten · inslapen · sterven
-
Chocolat
-
C’est arrivé près de chez vous
-
Jacqueline Bisset
-
beitsen · bijten · happen · knauwen · snerpen · vloeken
-
gebeten
Add example
Add