Translation of "Brechen" into Dutch

breuk, schending, fractuur are the top translations of "Brechen" into Dutch.

Brechen Noun grammar
+ Add

German-Dutch dictionary

  • breuk

    noun feminine

    Wenn es gebrochen ist, dann wird es schnell heilen.

    Als het een breuk is, de botten van baby's genezen snel.

  • schending

    noun feminine

    Sollte das humanitäre Völkerrecht weiterhin gebrochen werden, bedarf es konkreter Sanktionen.

    Als er geen einde komt aan de schendingen van het humanitair recht, moeten er concrete sancties volgen.

  • fractuur

    Nur der Schädel ist gebrochen.

    Ze heeft alleen een fractuur aan haar hoofd.

  • Less frequent translations

    • breking
    • schennis
    • verbreking
    • breken
    • Brechen
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "Brechen" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Translations with alternative spelling

brechen verb grammar

toppen (umgangssprachlich) [..]

+ Add

German-Dutch dictionary

  • breken

    verb neuter

    Sie fiel herunter und brach sich das linke Bein.

    Ze viel naar beneden en brak haar linkerbeen.

  • verbreken

    verb

    Ich denke, ich kann Toms Rekord brechen.

    Ik denk dat ik het record van Tom kan verbreken.

  • doorbreken

    verb

    het ontstaan van een doorgang

    Du hast die Regeln gebrochen.

    Ge hebt de regels doorbroken.

  • Less frequent translations

    • schenden
    • afbreken
    • braken
    • overgeven
    • overtreden
    • stukbreken
    • kotsen
    • knappen
    • stukgaan
    • barsten
    • begeven
    • delven
    • fnuiken
    • kapot gaan
    • knakken
    • opgeven
    • plukken
    • sneuvelen
    • springen
    • uitraken
    • verpletteren
    • verbrijzelen
    • spugen
    • vermorzelen
    • intrappen
    • verwerpen
    • vomeren
    • spuwen
    • afzeggen
    • een inbreuk plegen op
    • hoofden
    • kapot maken

Phrases similar to "Brechen" with translations into Dutch

  • zijn been breken
  • propvol · tjokvol
  • de oorlog brak uit
  • Gérard Brach
  • belofte breken
  • nekken
  • afkeuren · afslaan · afwijzen · braken · breken · heruitzenden · kotsen · nee zeggen tegen · ontzenuwen · overgeven · retourneren · spugen · spuwen · terugbezorgen · terugdringen · terugsturen · terugwijzen · uitbraken · verdringen · vergooien · vertikken · verwerpen · vomeren · walgen · weerleggen · weggooien · wegwerpen · weigeren · weren · wraken
  • braak · braakliggend · brak
Add

Translations of "Brechen" into Dutch in sentences, translation memory