Translation of "Saison" into Dutch

seizoen, jaargetijde, jaargetij are the top translations of "Saison" into Dutch.

Saison noun Noun feminine grammar

heiße Phase (umgangssprachlich) [..]

+ Add

German-Dutch dictionary

  • seizoen

    noun neuter

    Een jaarlijkse terugkerende periode van onbepaalde lengte, vrij lang maar nog korter dan een jaar, als een bepaald gewas rijp is of een bepaald type werk, meestal verwant met landbouw, wordt uitgevoerd. [..]

    Ich bin überzeugt, dass unsere bisher erfolgreichste Saison anbricht.

    Ik ben ervan overtuigd dat dit tot op heden ons meest gevierde seizoen wordt.

  • jaargetijde

    noun feminine

    Een jaarlijkse terugkerende periode van onbepaalde lengte, vrij lang maar nog korter dan een jaar, als een bepaald gewas rijp is of een bepaald type werk, meestal verwant met landbouw, wordt uitgevoerd.

    Trüffeln und waldpilze oder Pfifferlinge, je nach Saison.

    Een heerlijk bijgerecht kan ravioli met boleet zijn en truffels, wilde paddestoelen of cantharellen afhankelijk het jaargetijde.

  • jaargetij

    noun
  • Less frequent translations

    • campagne
    • herfst
    • najaar
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "Saison" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Images with "Saison"

Add

Translations of "Saison" into Dutch in sentences, translation memory