Translation of "Verbinden" into Dutch

verbinden, Verbinden, verbinden are the top translations of "Verbinden" into Dutch.

Verbinden Noun grammar
+ Add

German-Dutch dictionary

  • verbinden

    verb

    twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken

    Die Krankenschwester verband die Wunde mit einem Verband.

    De verpleegster verbond de wond met een verband.

  • Verbinden

    Verbinde die zwei Kabel.

    Verbind de twee kabels.

  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "Verbinden" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Translations with alternative spelling

verbinden verb grammar

anstöpseln (umgangssprachlich) [..]

+ Add

German-Dutch dictionary

  • verbinden

    verb

    Samenvoegen of verbinden, als het ene ding aan het andere, of als verschillende eenheden, om zo het aantal te vergroten, de kwantiteit te verhogen, het hoeveelheid te vergroten, of er een enkel aggregaat van te maken; ...

    Der neue Tunnel wird Frankreich mit England verbinden.

    De nieuwe tunnel zal Frankrijk met Engeland verbinden.

  • binden

    verb

    Ich weiß, dass ich mit dir verbunden bin.

    Ik weet dat ik aan je gebonden ben, Damon.

  • aansluiten

    verb

    Du musst es nur noch mit der Stromquelle verbinden.

    Je moet ze alleen aansluiten op de stroom bron.

  • Less frequent translations

    • aan elkaar vastmaken
    • koppelen
    • verenigen
    • vastbinden
    • vastmaken
    • samenbinden
    • bijeenbinden
    • omzwachtelen
    • een verband omleggen
    • verzorgen van een wond
    • samenvoegen
    • aaneenschakelen
    • inzwachtelen
    • zwachtelen
    • combineren
    • linken
    • mededelen
    • spannen
    • meedelen
    • ombinden
    • voortzeggen
    • omwikkelen
    • uitrekken
    • opwinden
    • berichten
    • strekken
    • in verbinding brengen
    • nauwer aanhalen
    • samenstellen
    • voegen
    • samenbrengen
    • blinddoeken
    • dichtbinden
    • doorverbinden
    • een band scheppen
    • een verbinding vormen
    • gepaard gaan met
    • paren aan
    • samengaan
    • samenkoppelen
    • schakelen
    • toebinden
    • verbonden zijn aan
    • verplichten
    • zich verbinden
    • bevestigen
    • bijeenbrengen
    • samenkomen
    • knopen
    • toevoegen
    • aanknopen
    • aanbinden
    • bijeenkomen
    • vastleggen
    • instellen
    • vergaderen
    • aaneenvoegen
    • toegeven
    • aanbranden
    • afrossen
    • bijdoen
    • inbakeren
    • ineenzetten
    • roskammen
    • tuigeren
    • onderbinden
    • bijmengen
    • verstellen
    • inbinden
    • bijvoegen
    • afstellen
    • bijeenvoegen
    • meren
    • fixeren
    • legeren
    • vaststellen
    • bepalen
    • een knoop leggen
    • passend maken
    • verbinding maken
    • zich verenigen
    • link
    • aaneenrijgen

Phrases similar to "Verbinden" with translations into Dutch

Add

Translations of "Verbinden" into Dutch in sentences, translation memory