Translation of "angebracht" into Dutch
geschikt, passend, gemakkelijk are the top translations of "angebracht" into Dutch.
tunlich (veraltend)
-
geschikt
adjectiveVoldoende hebben of de vereiste eigenschappen bezitten voor een zeker doel of zaak; passend voor de gelegenheid.
Bei Schnee wiederum ist ein sehr schmaler Reifen angebracht.
In sneeuw is een zeer dunne band weer geschikt.
-
passend
adjectiveVoldoende hebben of de vereiste eigenschappen bezitten voor een zeker doel of zaak; passend voor de gelegenheid.
Es ist nur nicht angebracht, sein Kind nachts in einen Park zu lassen.
Het is niet gepast om je kind's avonds naar een park te laten gaan.
-
gemakkelijk
adjectiveIn jedem Fall wird sie gut sichtbar , deutlich lesbar und unverwischbar angebracht .
De aanduiding wordt in ieder geval zodanig aangebracht dat zij duidelijk zichtbaar, gemakkelijk leesbaar en onuitwisbaar is .
-
Less frequent translations
- doelmatig
- gepast
- redelijk
- toepasselijk
- raadzaam
- doenbaar
- schappelijk
- bruikbaar
- aangebracht
- bevestigd
- gezet
- op zijn plaats
- opportuun
- zinvol
- behoorlijk
- fatsoenlijk
- betamelijk
- voegzaam
- welvoeglijk
- keurig
- geschikte
- passende
- capabel
- bekwaam
- competent
- geëigend
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "angebracht" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "angebracht" with translations into Dutch
-
verbeteringen aanbrengen
-
aan · aanbrengen · aandoen · aandragen · aanhangen · aantrekken · aanwenden · aanzetten · afhalen · benutten · beoefenen · betrachten · bevestigen · bezorgen · bijeenbrengen · brengen · deponeren · doen · doorvoeren · gebruiken · in de praktijk brengen · in toepassing brengen · installeren · kenbaar maken · klikken · leggen · medebrengen · medenemen · meebrengen · meenemen · monteren · naar voren brengen · neerleggen · neerzetten · onderbrengen · opbrengen · ophangen · opleggen · plaatsen · stationeren · steken · stellen · stoppen · toepassen · toevoegen · uiten · uitoefenen · vastbinden · vastmaken · vergaderen · verkopen · voordoen · voorleiden · zetten