Translation of "eingestellt" into Dutch

georiënteerd, gezind are the top translations of "eingestellt" into Dutch.

eingestellt adjective verb grammar

(auf etwas) programmiert (umgangssprachlich) [..]

+ Add

German-Dutch dictionary

  • georiënteerd

    Es gibt einerseits eine Gruppe von Jugendlichen, die internationaler als jemals zuvor eingestellt und sehr engagiert ist.

    Enerzijds zijn er talrijke jongeren die internationaler dan ooit georiënteerd zijn en een sterk engagement tonen.

  • gezind

    adjective particle

    Einer von ihnen scheint dem Protestantismus gegenüber sogar sehr wohlwollend eingestellt gewesen zu sein.

    Een van hen schijnt het zelfs heel gunstig gezind te zijn geweest.

  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "eingestellt" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "eingestellt" with translations into Dutch

  • de zaak seponeren
  • opkomen
  • aanbrengen · aanhouden · aannemen · aanpassen · aanstellen · aanwerven · afbreken · afgelasten · aflaten · afmaken · afschaffen · afsluiten · afstellen · afstemmen · annuleren · arresteren · besluiten · beëindigen · bijstellen · bijsturen · de weg wijzen · evenaren · geleiden · huren · in dienst nemen · in overeenstemming brengen · in verzekerde bewaring nemen · inrekenen · inrichten · instellen · komen · leiden · ontbinden · opbreken · opheffen · ophouden · opruimen · optreden · plaatsen · regelen · reglementeren · reguleren · rijmen · rondleiden · ruimen · schikken · schorten · seponeren · staken · stallen · stelpen · stemmen · stoppen · stopzetten · tenietdoen · terechtbrengen · terugnemen · tewerkstellen · tot overeenstemming brengen · uitmaken · uitscheiden · vereffenen · verschijnen · voleindigen · wijken · zetten in · zich instellen · zich voordoen
  • de voet dwars zetten · ontstemmen · tegengaan · tegenwerken
  • afstemmen
  • staakt het vuren!
  • de voet dwars zetten · ontstemmen · tegengaan · tegenwerken
  • aanbrengen · aanhouden · aannemen · aanpassen · aanstellen · aanwerven · afbreken · afgelasten · aflaten · afmaken · afschaffen · afsluiten · afstellen · afstemmen · annuleren · arresteren · besluiten · beëindigen · bijstellen · bijsturen · de weg wijzen · evenaren · geleiden · huren · in dienst nemen · in overeenstemming brengen · in verzekerde bewaring nemen · inrekenen · inrichten · instellen · komen · leiden · ontbinden · opbreken · opheffen · ophouden · opruimen · optreden · plaatsen · regelen · reglementeren · reguleren · rijmen · rondleiden · ruimen · schikken · schorten · seponeren · staken · stallen · stelpen · stemmen · stoppen · stopzetten · tenietdoen · terechtbrengen · terugnemen · tewerkstellen · tot overeenstemming brengen · uitmaken · uitscheiden · vereffenen · verschijnen · voleindigen · wijken · zetten in · zich instellen · zich voordoen
Add

Translations of "eingestellt" into Dutch in sentences, translation memory