Translation of "fahren" into Dutch

rijden, gaan, varen are the top translations of "fahren" into Dutch.

fahren verb grammar

zugange sein (umgangssprachlich) [..]

+ Add

German-Dutch dictionary

  • rijden

    verb

    Zich verplaatsen met een voertuig. [..]

    Ich möchte gern mit dir ans Meer fahren.

    Ik zou graag met jullie naar zee rijden.

  • gaan

    verb

    Sich von einem Ort zu einem anderen, weiter entfernten Ort bewegen.

    Wir fahren von hier an mit dem Auto weiter.

    Vanaf dit punt gaan we met de auto.

  • varen

    verb

    Per schip oversteken of reizen (op een wateroppervlak).

    Tom fuhr in einem Schlauchboot auf dem Fluss.

    Tom voer met een rubberboot op de rivier.

  • Less frequent translations

    • lopen
    • besturen
    • van stapel lopen
    • reizen
    • verlopen
    • karren
    • zich begeven
    • vervoeren
    • bedienen
    • doen
    • draaiende houden
    • nemen
    • oprijden
    • rijden op
    • schieten
    • springen
    • strijken
    • sturen
    • vegen
    • vertrekken
    • vliegen
    • wrijven
    • chaufferen
    • gesteld zijn
    • het maken
    • leiden
    • brengen
    • voeren
    • bewegen
    • geleiden
    • navigeren
    • aandrijving
    • pendelen
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "fahren" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Translations with alternative spelling

Fahren
+ Add

German-Dutch dictionary

  • Fahren

    Fahren (Kreis Plön)

Images with "fahren"

Phrases similar to "fahren" with translations into Dutch

Add

Translations of "fahren" into Dutch in sentences, translation memory