Translation of "accomplishment" into Dutch
prestatie, voltooiing, uitvoering are the top translations of "accomplishment" into Dutch.
The act of accomplishing; entire performance; completion; fulfillment; as, the accomplishment of an enterprise, of a prophecy, etc. [..]
-
prestatie
noun femininethat which completes [..]
Among our many fine accomplishments is our football program.
Onder onze vele prestaties is ons football programma.
-
voltooiing
noun femininethe act of accomplishing
Subject: Problems with accomplishment of the internal market in postal services in thinly populated areas
Betreft: Problemen met de voltooiing van de interne markt voor postdiensten in schaars bewoonde gebieden
-
uitvoering
noun feminineIn this case, the continuing airworthiness management organisation assumes responsibility for the proper accomplishment of these tasks.
In dit geval is de managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van deze taken.
-
Less frequent translations
- vervulling
- werk
- vaardigheid
- bedrevenheid
- handigheid
- daad
- handeling
- arbeid
- naleving
- karwei
- slag
- emplooi
- inlossing
- voltrekking
- verrichting
- volmaaktheid
- vlugheid
- beëindiging
- kennis
- executie
- adres
- bekwaamheid
- talent
- realisatie
- voltooing
- competentie
- kundigheid
- capaciteit
- gave
- vermogen
- vernuft
- habiliteit
- begaafdheid
- behendigheid
- geschiktheid
- aanleg
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "accomplishment" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "accomplishment" with translations into Dutch
-
bedreven · behendig · bevoegd · competent · conpetent · deskundig · ervaren · talentvol · vaardig · voldongen · volleerd · volmaakt
-
aanvullen · afleggen · afsluiten · assureren · behalen · behoeden · belenden · beloven · bereiken · beschermen · besturen · betuigen · beveiligen · bewerkstelligen · bijwerken · borg staan voor · brengen · completeren · dempen · doen · doorkomen · doorvoeren · effectueren · garanderen · geheel maken · geleiden · grenzen aan · halen · in veiligheid brengen · inhalen · inslaan · invullen · klaarspelen · klaren · leiden · leiden tot · maken · nakomen · naleven · raken · realiseren · reiken tot · resulteren · slagen · slagen voor · spekken · sponsoren · stoppen · supplementeren · teisteren · toezeggen · tot stand brengen · treffen · uitdraaien op · uitgaan · uitkomen · uitlopen · uitlopen op · uitloven · uitrusten · uitstappen · uitstijgen · uittreden · uitvoeren · veilig stellen · verdienen · verrichten · vervullen · verwerkelijken · verwezenlijken · verzeggen · verzekeren · voeren · volbrengen · voleinden · volgen · volmaken · volschenken · voltooien · voltrekken · voortkomen · voortspruiten · voortvloeien · vrijwaren · vullen · waarborgen · winnen
-
haalbaar