Translation of "adjoining" into Dutch
belendend, aangrenzend, naburig are the top translations of "adjoining" into Dutch.
Being in contact at some point or line; joining to; contiguous; bordering: an adjoining room. [..]
-
belendend
adjective(van panden) aangrenzend
Someone fed gas into their room from an adjoining suite
Iemand blies gas in hun kamer vanuit een belendende suite
-
aangrenzend
adjectiverechtstreeks grenzend aan iets anders
We've traveled together, we've stayed in adjoining hotel rooms.
We hebben samen gereisd, we verbleven in aangrenzende kamers.
-
naburig
adjectivebeing in contact at some point
Unfortunately, this results in tensions between adjoining states and regions on the subject of environmental policy.
Dat leidt helaas tot spanningen tussen de naburige landen en regio's op het gebied van milieubeleid.
-
Less frequent translations
- aanliggend
- annex
- aanpalend
- begeleidend
- bijhorend
- samengaand
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "adjoining" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "adjoining" with translations into Dutch
-
aanboren · aanhechten · aankomen · aanraken · behalen · belenden · bereiken · beroeren · besturen · bijdoen · bijmengen · bijvoegen · brengen · geleiden · grenzen aan · inhalen · leiden · leiden tot · raken · reiken tot · resulteren · toegeven · toevoegen · toucheren · uitdraaien op · uitgaan · uitkomen · uitlopen · uitlopen op · uitstappen · uitstijgen · uittreden · voeren · volgen · voortkomen · voortspruiten · voortvloeien