Translation of "agitate" into Dutch
agiteren, opruien, schudden are the top translations of "agitate" into Dutch.
To move with a violent, irregular action; as, the wind agitates the sea; to agitate water in a vessel. [..]
-
agiteren
Very well, perhaps I am a little more than moderately agitated.
Goed, misschien ben ik een beetje meer dan matig geagiteerd.
-
opruien
verbWhy don't you just look around, and see how agitated you get?
Kijk maar rond en kijk of u zich opgeruid voelt?
-
schudden
verbBewegen of heen en weer laten bewegen.
The fixative container is gently agitated for five seconds to dislodge air bubbles from the cassette.
De fixeermiddelhouder wordt vijf seconden zacht geschud om luchtbellen uit de cassette te verwijderen.
-
Less frequent translations
- ophitsen
- opwinden
- opstoken
- prikkelen
- aanwakkeren
- verhitten
- aangrijpen
- werken op
- discuteren
- bespreken
- roeren
- bewegen
- verontrusten
- schokken
- aandoen
- zwaaien
- treffen
- ontroeren
- opschudden
- benauwen
- swingen
- wrikken
- slingeren
- van gedachten wisselen
- dooreenhalen
- vertoornen
- schommelen
- verduisteren
- verwarren
- vertroebelen
- verwisselen
- opzetten
- kwaad maken
- op stang jagen
- rechtop zetten
- van zijn stuk brengen
- ageren
- in beroering brengen
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "agitate" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "agitate" with translations into Dutch
-
Agitation Free
-
aanstoker · activist · agitator · intrigant · onruststoker · ophitser · opruier · opstoker · provocateur · stokebrand · twiststoker · volksmenner
-
bang · beducht · bekommerd · bezorgd · druk · gejaagd · nerveus · ongerust · onrustig · ontroerd · opgewonden · rusteloos · woelig · zenuw- · zenuwachtig · zenuw‐ · zorgelijk
-
aanwakkeren · agiteren · bewegen · ophitsen · opruien · opstoken · opwinden · prikkelen · verontrusten
-
agitatie · beduchtheid · beroering · beweging · ferment · gejaagdheid · gemoedsbeweging · getier · gevecht · gisting · herrie · hetze · kloppartij · knokpartij · ongerustheid · onrust · opgewondenheid · opschudding · opwinding · rel · roerigheid · rusteloosheid · rustverstoring · schroom · spektakel · stokerij · troebelen · tumult · vechtpartij · verontwaardiging · woeligheid · woeling · zorg
-
bang · beducht · bekommerd · bezorgd · druk · gejaagd · nerveus · ongerust · onrustig · ontroerd · opgewonden · rusteloos · woelig · zenuw- · zenuwachtig · zenuw‐ · zorgelijk
-
agitatie · beduchtheid · beroering · beweging · ferment · gejaagdheid · gemoedsbeweging · getier · gevecht · gisting · herrie · hetze · kloppartij · knokpartij · ongerustheid · onrust · opgewondenheid · opschudding · opwinding · rel · roerigheid · rusteloosheid · rustverstoring · schroom · spektakel · stokerij · troebelen · tumult · vechtpartij · verontwaardiging · woeligheid · woeling · zorg