Translation of "appreciable" into Dutch
merkbaar, aanzienlijk, aanmerkelijk are the top translations of "appreciable" into Dutch.
Capable of being appreciated or estimated; large enough to be estimated; perceptible; considerable. [..]
-
merkbaar
adjectiveGenoeg om te kunnen inschatten of meten.
Community competition law applies where trade between Member States may be appreciably affected.
Het communautaire mededingingsrecht is van toepassing wanneer handel tussen lidstaten merkbaar kan worden beïnvloed.
-
aanzienlijk
adjectiveGenoeg om te kunnen inschatten of meten.
The restrictive effect has moreover been quantified so as to demonstrate its appreciable nature.
De beperkende gevolgen zijn bovendien gekwantificeerd, teneinde aan te tonen dat zij aanzienlijk zijn.
-
aanmerkelijk
adjectiveGenoeg om te kunnen inschatten of meten.
Mills and grinders likely to appreciably heat the sample shall not be used.
Vermijd het gebruik van maaltoestellen die het monster aanmerkelijk kunnen verwarmen.
-
Less frequent translations
- geruim
- belangrijk
- ernstig
- voornaam
- erg
- zwaar
- zwaarwichtig
- plechtstatig
- meerderjarig
- mondig
- bemerkbaar
- majestueus
- imponerend
- statig
- indrukwekkend
- verheven
- merkelijk
- behoorlijk
- beduidend
- considerabel
- fiks
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "appreciable" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "appreciable" with translations into Dutch
-
waarderend
-
Waardeer het
-
geschat
-
aanzienlijk
-
appreciëren · beseffen · hechten aan · houden van · in waarde stijgen · mogen · naar waarde schatten · op prijs stellen · schatten · waarderen · zeer waarderen
-
achting · appreciatie · beoordeling · dankbaarheid · eerbetoon · erkentelijkheid · hommage · koersstijging · raming · schatting · waardering
-
appreciërend · dankbaar · erkennend · erkentelijk · waarderend
-
achten · achting hebben voor · achting toedragen · appreciëren · bedanken · begrijpen · begroten · beminnen · beseffen · bevatten · dankbaar zijn voor · hechten aan · hoogachten · hoogschatten · houden van · in waarde stijgen · liefhebben · mogen · naar waarde schatten · naar/op waarde schatten · op prijs stellen · schatten · snappen · taxeren · verstaan · waarderen