Translation of "appreciation" into Dutch
waardering, appreciatie, dankbaarheid are the top translations of "appreciation" into Dutch.
A just valuation or estimate of merit, worth, weight, etc.; recognition of excellence. [..]
-
waardering
nounhet hechten van een waarde aan iets of het tonen daarvan [..]
I wanted to show them my appreciation.
Ik wou hen mijn waardering tonen.
-
appreciatie
Het begrip hebben van de aard of de bedoeling of van de kwaliteit of de belangrijkheid van iets.
A final evaluation of the project was positive, highlighting the appreciation of the project by all stakeholders.
Het project kreeg een positieve eindbeoordeling waarin alle belanghebbenden hun appreciatie uitspraken.
-
dankbaarheid
nounhet dankbaar zijn
Elder Walker said that those who contribute to a goal generally find they appreciate it more.
Volgens ouderling Walker tonen mensen die een eigen bijdrage leveren vaak meer dankbaarheid.
-
Less frequent translations
- erkentelijkheid
- schatting
- beoordeling
- koersstijging
- eerbetoon
- hommage
- achting
- raming
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "appreciation" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "appreciation" with translations into Dutch
-
waarderend
-
Waardeer het
-
geschat
-
aanmerkelijk · aanzienlijk · beduidend · behoorlijk · belangrijk · bemerkbaar · considerabel · erg · ernstig · fiks · geruim · imponerend · indrukwekkend · majestueus · meerderjarig · merkbaar · merkelijk · mondig · plechtstatig · statig · verheven · voornaam · zwaar · zwaarwichtig
-
aanzienlijk
-
appreciëren · beseffen · hechten aan · houden van · in waarde stijgen · mogen · naar waarde schatten · op prijs stellen · schatten · waarderen · zeer waarderen
-
appreciërend · dankbaar · erkennend · erkentelijk · waarderend
-
achten · achting hebben voor · achting toedragen · appreciëren · bedanken · begrijpen · begroten · beminnen · beseffen · bevatten · dankbaar zijn voor · hechten aan · hoogachten · hoogschatten · houden van · in waarde stijgen · liefhebben · mogen · naar waarde schatten · naar/op waarde schatten · op prijs stellen · schatten · snappen · taxeren · verstaan · waarderen