Translation of "attainable" into Dutch

bereikbaar, haalbaar, beschikbaar are the top translations of "attainable" into Dutch.

attainable adjective noun grammar

Able to be achieved, accomplished or obtained. [..]

+ Add

English-Dutch dictionary

  • bereikbaar

    adjective

    In staat bereikt te worden of tot stand te brengen.

    What do you know about marriage or commitment to anything that's actually attainable?

    Wat weet jij van het huwelijk of van verplichtingen tegenover iets dat bereikbaar is?

  • haalbaar

    adjective

    In staat bereikt te worden of tot stand te brengen.

    The programme objectives were largely specific, attainable and realistic.

    De doelstellingen van het programma waren grotendeels specifiek, haalbaar en realistisch.

  • beschikbaar

    adjective

    I happen to believe... that to the general public you must remain attainable.

    Ik ben de mening toegedaan dat je voor het publiek moet beschikbaar blijven.

  • Less frequent translations

    • disponibel
    • te bereiken
    • te verwezenlijken
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "attainable" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "attainable" with translations into Dutch

  • bereikbaarheid · beschikbaarheid
  • aanleg · bedrevenheid · begaafdheid · behendigheid · bekwaamheid · capaciteit · competentie · gave · geschiktheid · habiliteit · handigheid · het verkrijgen van · kundigheid · talent · vaardigheid · verkrijging · vermogen · vernuft · verwerving · verworvenheid
  • aangrijpen · beetkrijgen · beetnemen · behalen · belenden · bemachtigen · bemerken · bereiken · besturen · brengen · buit maken · confisqueren · doorkomen · geleiden · gewaar worden · grenzen aan · grijpen · halen · houwen · in beslag nemen · inhalen · inslaan · klaarspelen · klappen · kloppen · konfiskeren · leiden · leiden tot · meppen · merken · opvallen · pakken · raken · realiseren · reiken tot · resulteren · slaan · slagen · slagen voor · teisteren · treffen · uitdraaien op · uitgaan · uitkomen · uitlopen · uitlopen op · uitstappen · uitstijgen · uittreden · vangen · vastgrijpen · vastpakken · vatten · verbeurd verklaren · verdienen · verkrijgen · vernemen · verwerven · verwezenlijken · voeren · volbrengen · volgen · voortkomen · voortspruiten · voortvloeien · waarnemen · winnen
  • onderwijsniveau · opleidingsniveau
  • behalen · bereiken · buit maken · geraken · inhalen · treffen · verkrijgen · verwerven
Add

Translations of "attainable" into Dutch in sentences, translation memory