Translation of "having" into Dutch
houdend, scherp, zoet are the top translations of "having" into Dutch.
having
noun
verb
grammar
Present participle of have. [..]
-
houdend
nounI will lend you any book that I have, so long as you keep it clean.
Ik zal je eender welk boek lenen, op voorwaarde dat je het schoon houdt.
-
scherp
adjective verb(to be) sharp
You have the boldness of a much younger woman.
Je hebt de scherpte van een veel jongere vrouw.
-
zoet
adjective noun verb(to be) sweet
They didn't have any splenda, so I got you sugar instead.
Ze hadden geen zoetjes, dus heb ik er suiker in gedaan.
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "having" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "having" with translations into Dutch
-
We Have the Facts and We’re Voting Yes
-
afzien
-
aannemen · accepteren · baren · bedriegen · benemen · bevallen · bezitten · bijhouden · dragen · drinken · erop nahouden · gebruiken · genieten · heb · hebben · hebt · houden · krijgen · laten · moeten · nemen · onderscheppen · ontnemen · ontvangen · pakken · toucheren · vasthouden · verongelukken · zijn
-
belang hebben bij
-
gelukkig · toevallig
-
een appeltje met iemand te schillen hebben · met iemand een appeltje te schillen hebben
Add example
Add