Translation of "provoking" into Dutch

ergerlijk, prikkelend, tergend are the top translations of "provoking" into Dutch.

provoking adjective verb

Present participle of provoke . [..]

+ Add

English-Dutch dictionary

  • ergerlijk

    adjective
  • prikkelend

    adjective

    What have the Witnesses done to provoke their ire and draw their fire?

    Wat hebben de Getuigen gedaan dat hen tot woede heeft geprikkeld en vijandig heeft doen reageren?

  • tergend

    In what ways have Jehovah’s stubborn people provoked him?

    Op welke manieren heeft Jehovah’s onhandelbare volk hem getergd?

  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "provoking" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "provoking" with translations into Dutch

  • irriteren · ophitsen · prikkelen · provoceren · tarten · uitdagen · uitlokken
  • aandoen · aanhitsen · aanrichten · aansporen · aanstoken · aanzetten · agaceren · beleggen · belezen · bemiddelen · bewegen · determineren · doen besluiten · ergeren · houden · identificeren · irriteren · leggen · nauwkeurig bepalen · ontketenen · ontlokken · op stang jagen · ophitsen · opwekken · overhalen · plaatsen · plagen · prikkelen · provoceren · sarren · situeren · stationeren · stichten · stoken · tarten · tergen · teweegbrengen · triggeren · uitdagen · uitlokken · uitreiken · uitschrijven · uittarten · vereenzelvigen · verontwaardigen · veroorzaken · verschaffen · verstrekken · wekken
  • comisch · grappig
  • intrigerend
  • provocateur
  • getergd
  • aandoen · aanhitsen · aanrichten · aansporen · aanstoken · aanzetten · agaceren · beleggen · belezen · bemiddelen · bewegen · determineren · doen besluiten · ergeren · houden · identificeren · irriteren · leggen · nauwkeurig bepalen · ontketenen · ontlokken · op stang jagen · ophitsen · opwekken · overhalen · plaatsen · plagen · prikkelen · provoceren · sarren · situeren · stationeren · stichten · stoken · tarten · tergen · teweegbrengen · triggeren · uitdagen · uitlokken · uitreiken · uitschrijven · uittarten · vereenzelvigen · verontwaardigen · veroorzaken · verschaffen · verstrekken · wekken
  • aandoen · aanhitsen · aanrichten · aansporen · aanstoken · aanzetten · agaceren · beleggen · belezen · bemiddelen · bewegen · determineren · doen besluiten · ergeren · houden · identificeren · irriteren · leggen · nauwkeurig bepalen · ontketenen · ontlokken · op stang jagen · ophitsen · opwekken · overhalen · plaatsen · plagen · prikkelen · provoceren · sarren · situeren · stationeren · stichten · stoken · tarten · tergen · teweegbrengen · triggeren · uitdagen · uitlokken · uitreiken · uitschrijven · uittarten · vereenzelvigen · verontwaardigen · veroorzaken · verschaffen · verstrekken · wekken
Add

Translations of "provoking" into Dutch in sentences, translation memory