Translation of "reliability" into Dutch
betrouwbaarheid, bedrijfszekerheid, geloofwaardigheid are the top translations of "reliability" into Dutch.
The quality of being reliable, dependable, or trustworthy. [..]
-
betrouwbaarheid
noun femininequality of being reliable [..]
Important factors such as reliability and comparability are points in favour of using this deflator.
Voor het gebruik van deze deflator pleiten belangrijke factoren, zoals de betrouwbaarheid en de vergelijkbaarheid ervan.
-
bedrijfszekerheid
However, gas turbines have not so far been used in process installations, because they are less reliable.
Tot dusverre zijn in procesinstallaties evenwel geen gasturbines gebruikt, omdat de bedrijfszekerheid ervan lager is.
-
geloofwaardigheid
noun femininede mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
The Commission (Eurostat) has no specific comments to make regarding the reliability of the Greek data.
De Commissie (Eurostat) heeft niets bijzonders aan te merken op de geloofwaardigheid van de gegevens van Griekenland.
-
Less frequent translations
- deugdelijkheid
- degelijkheid
- authenticiteit
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "reliability" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "reliability" with translations into Dutch
-
Betrouwbaarheidscontrole
-
menselijke fout
-
betrouwbaar · eerlijk · oprecht · trouw
-
aannemelijk · behouden · beproefd · betrouwbaar · betrouwbare · bona fide · degelijk · deugdelijk · ernstig · geborgen · geloofwaardig · getrouwe · gewis · goedaardig · ongevaarlijk · safe · serieus · stellig · stemmig · vast · vaststaand · veilig · verantwoord · verantwoordelijk · vertrouwd · verzekerd · wis · zeker · zekerheid
-
Reliability Analysis Component
-
reliability engineering
-
aannemelijk · behouden · beproefd · betrouwbaar · betrouwbare · bona fide · degelijk · deugdelijk · ernstig · geborgen · geloofwaardig · getrouwe · gewis · goedaardig · ongevaarlijk · safe · serieus · stellig · stemmig · vast · vaststaand · veilig · verantwoord · verantwoordelijk · vertrouwd · verzekerd · wis · zeker · zekerheid
-
aannemelijk · behouden · beproefd · betrouwbaar · betrouwbare · bona fide · degelijk · deugdelijk · ernstig · geborgen · geloofwaardig · getrouwe · gewis · goedaardig · ongevaarlijk · safe · serieus · stellig · stemmig · vast · vaststaand · veilig · verantwoord · verantwoordelijk · vertrouwd · verzekerd · wis · zeker · zekerheid