Translation of "hacer" into Dutch

maken, doen, bedrijven are the top translations of "hacer" into Dutch.

hacer verb grammar

apropiarse de algo ajeno [..]

+ Add

Spanish-Dutch dictionary

  • maken

    verb

    Iets creëren, werken of wat werk verrichten met resultaat; iets bouwen; produceren; verzorgen, of veroorzaken dat iets ontstaat. [..]

    Ella me enseñó a hacer una página en Internet.

    Ze leerde me hoe ik een webstek moest maken.

  • doen

    verb

    een actie ondernemen [..]

    No sé cómo lo hice, lo importante es que lo hice.

    Ik weet niet hoe ik het deed. Wat belangrijk is, is dát ik het deed.

  • bedrijven

    verb noun

    Iets doen, bedrijven of volbrengen.

    Haz el amor y no la guerra.

    Bedrijf de liefde, niet de oorlog.

  • Less frequent translations

    • aanmaken
    • vervaardigen
    • bouwen
    • uitvoeren
    • fabriceren
    • zijn
    • uitrichten
    • produceren
    • uitbrengen
    • aanleggen
    • construeren
    • fitten
    • installeren
    • brengen
    • creëren
    • worden
    • denken
    • vormen
    • optreden
    • interpreteren
    • laten
    • stellen
    • werken
    • zetten
    • handelen
    • leggen
    • stoppen
    • verrichten
    • doorgaan
    • zitten
    • scheppen
    • steken
    • bakken
    • plaatsen
    • koken
    • opereren
    • uitwerken
    • voortbrengen
    • ageren
    • poseren
    • stationeren
    • situeren
    • bezig zijn
    • effect sorteren
    • laten doen
    • te werk gaan
    • uitwerking hebben
    • bereiden
    • klaarmaken
    • brouwen
    • kwetsen
    • breien
    • kwellen
    • pijnigen
    • pijn aandoen
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "hacer" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Images with "hacer"

Phrases similar to "hacer" with translations into Dutch

Add

Translations of "hacer" into Dutch in sentences, translation memory