aanvragen in Dutch dictionary

  • aanvragen

    Meanings and definitions of "aanvragen"

    • verzoeken, min of meer officieel

    Grammar and declension of aanvragen

    • (Verb) Conjugation of aanvragen
      infinitive aanvragen
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular vraag aan vroeg aan aanvraag aanvroeg
      2nd person sing. (jij/u) vraagt aan vroeg aan aanvraagt aanvroeg<tr style="background: #F2F2FF;"> 2nd person sing. (gij) vraagt aan vroegt aan aanvraagt aanvroegt
      3rd person singular vraagt aan vroeg aan aanvraagt aanvroeg
      plural vragen aan vroegen aan aanvragen aanvroegen
      subjunctive sing.1 vrage aan vroege aan aanvrage aanvroege
      subjunctive plur.1 vragen aan vroegen aan aanvragen aanvroegen
      imperative sing. vraag aan
      imperative plur.1 vraagt aan
      participles aanvragend (hebben) aangevraagd
      1) Archaic.
    • aanvragen (mixed, separable)
    • Inflection of aanvragen (strong class 6 with weak past participle, separable)
      infinitive aanvragen
      past singular vroeg aan
      past participle aangevraagd
      infinitive aanvragen
      gerund aanvragen n
      verbal noun
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular vraag aan vroeg aan aanvraag aanvroeg
      2nd person sing. (jij) vraagt aan vroeg aan aanvraagt aanvroeg
      2nd person sing. (u) vraagt aan vroeg aan aanvraagt aanvroeg
      2nd person sing. (gij) vraagt aan vroegt aan aanvraagt aanvroegt
      3rd person singular vraagt aan vroeg aan aanvraagt aanvroeg
      plural vragen aan vroegen aan aanvragen aanvroegen
      subjunctive sing.1 vrage aan vroege aan aanvrage aanvroege
      subjunctive plur.1 vragen aan vroegen aan aanvragen aanvroegen
      imperative sing. vraag aan
      imperative plur.1 vraagt aan
      participles aanvragend aangevraagd
      1) Archaic.
      Inflection of aanvragen (weak, separable)
      infinitive aanvragen
      past singular vraagde aan
      past participle aangevraagd
      infinitive aanvragen
      gerund aanvragen n
      verbal noun
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular vraag aan vraagde aan aanvraag aanvraagde
      2nd person sing. (jij) vraagt aan vraagde aan aanvraagt aanvraagde
      2nd person sing. (u) vraagt aan vraagde aan aanvraagt aanvraagde
      2nd person sing. (gij) vraagt aan vraagde aan aanvraagt aanvraagde
      3rd person singular vraagt aan vraagde aan aanvraagt aanvraagde
      plural vragen aan vraagden aan aanvragen aanvraagden
      subjunctive sing.1 vrage aan vraagde aan aanvrage aanvraagde
      subjunctive plur.1 vragen aan vraagden aan aanvragen aanvraagden
      imperative sing. vraag aan
      imperative plur.1 vraagt aan
      participles aanvragend aangevraagd
      1) Archaic.

Sample sentences with "aanvragen"