controleren in Dutch dictionary

  • controleren

    Meanings and definitions of "controleren"

    • inspecteren, toezichthouden, onderzoeken, nazien
    • Onder toezicht houden.
    • Een invloed uitoefenen over, suggeren of een gedragswijze opleggen voor.
    • Nakijken of iets correct is.

    Synonyms of "controleren" in Dutch dictionary

    checken, verifiëren are the top synonyms of "controleren" in the Dutch thesaurus.

    Grammar and declension of controleren

    • controleren (weak in -d)
    • (Verb) Conjugation of controleren
      infinitive controleren
      present tense past tense
      1st person singular controleer controleerde
      2nd person singular controleert controleerde
      3rd person singular controleert controleerde
      plural controleren controleerden
      subjunctive sing.1 controlere controleerde
      subjunctive plur.1 controleren controleerden
      imperative sing. controleer
      imperative plur.1 controleert
      participles controlerend (hebben) gecontroleerd
      1) Archaic.
    • Inflection of controleren (weak)
      infinitive controleren
      past singular controleerde
      past participle gecontroleerd
      infinitive controleren
      gerund controleren n
      verbal noun
      present tense past tense
      1st person singular controleer controleerde
      2nd person sing. (jij) controleert controleerde
      2nd person sing. (u) controleert controleerde
      2nd person sing. (gij) controleert controleerde
      3rd person singular controleert controleerde
      plural controleren controleerden
      subjunctive sing.1 controlere controleerde
      subjunctive plur.1 controleren controleerden
      imperative sing. controleer
      imperative plur.1 controleert
      participles controlerend gecontroleerd
      1) Archaic.

Images with "controleren"

Sample sentences with "controleren"