Translation of "afhaal" into Dutch

afdoen, afzetten, etaleren are the top translations of "afhaal" into Dutch.

afhaal
+ Add

Afrikaans-Dutch dictionary

  • afdoen

    verb

    Hy het uiteindelik ingestem dat sy dit kon afhaal.

    Uiteindelijk mocht ze de tali van hem afdoen.

  • afzetten

    verb
  • etaleren

    verb
  • Less frequent translations

    • uitkrijgen
    • uitstallen
    • opbergen
    • wegzetten
    • uitdoen
    • uitbrengen
    • blootstellen
    • uittrekken
    • bergen
    • wegleggen
    • afleggen
    • bewaren
    • afhalen
    • losmaken
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "afhaal" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "afhaal" with translations into Dutch

  • halen
  • ophalen
  • aanhalen
  • overhalen
  • aannemen · afhalen · annuleren · diffuseren · groeperen · hernemen · herroepen · innen · intrekken · inzamelen · loslaten · lossen · medebrengen · medenemen · meebrengen · meenemen · omroepen · ontvangen · opeenhopen · opeenstapelen · ophopen · opstapelen · plukken · rapen · rondstrooien · rondsturen · slaken · stapelen · strooien · tappen · tassen · terughalen · terughebben · terugnemen · uitbrengen · uiten · uithalen · uitlaten · vergaderen · verkwisten · verzamelen · vieren · weglaten
  • beeldverhaal · stripverhaal
  • aanbrengen · aankopen · aanschaffen · aanwerven · afnemen · behalen · belenden · bereiken · besturen · brengen · buitmaken · deelachtig worden · doorkomen · geleiden · grenzen aan · halen · inhalen · inkopen · inslaan · klaarspelen · kopen · krijgen · leiden · leiden tot · overnemen · raken · reiken tot · resulteren · slagen · slagen voor · teisteren · treffen · uitdraaien op · uitgaan · uitkomen · uitlopen · uitlopen op · uitstappen · uitstijgen · uittreden · verdienen · verkrijgen · verwerven · voeren · volgen · voortkomen · voortspruiten · voortvloeien · werven · winnen
Add

Translations of "afhaal" into Dutch in sentences, translation memory