Translation of "uithaal" into Dutch
verzamelen, uithalen, collecteren are the top translations of "uithaal" into Dutch.
uithaal
-
verzamelen
verbLater die dag, toe sy haar droë klere kom haal het, het sy die boek daar vergeet.
Toen ze later op de dag haar droge kleren verzamelde, vergat ze het boek.
-
uithalen
verbHet jy al ooit gesien wat die pret uithaal met'n menseliggaam op kort afstand?
Zag je ooit wat dat plezier uithaalt met een mensenlichaam op korte afstand?
-
collecteren
-
Less frequent translations
- rapen
- inzamelen
- innen
- plukken
- oogsten
- tassen
- opeenhopen
- opeenstapelen
- tappen
- ontlokken
- ophopen
- opstapelen
- stapelen
- annuleren
- diffuseren
- medebrengen
- medenemen
- omroepen
- rondstrooien
- rondsturen
- terughalen
- terughebben
- groeperen
- hernemen
- uitdrijven
- verkwisten
- terugnemen
- voortplanten
- weglaten
- strooien
- herroepen
- slaken
- afhalen
- terugkrijgen
- intrekken
- uitbrengen
- loslaten
- vergaderen
- lossen
- vieren
- terugtrekken
- uitlaten
- meebrengen
- accepteren
- meenemen
- aannemen
- uiten
- ontvangen
- te voorschijn trekken
- zich verspreiden
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "uithaal" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "uithaal" with translations into Dutch
-
halen
-
afdoen · afhalen · afleggen · afzetten · bergen · bewaren · blootstellen · etaleren · losmaken · opbergen · uitbrengen · uitdoen · uitkrijgen · uitstallen · uittrekken · wegleggen · wegzetten
-
ophalen
-
aanhalen
-
overhalen
-
bekende · betrekking · debiteren · geschiedenis · historie · kennis · omgang · opzicht · relaas · relatie · sprookje · verband · verhaal · verhalen · verhouding · verkeer · verstandhouding · vertellen · vertelling · vertelsel
-
beeldverhaal · stripverhaal
-
aanbrengen · aankopen · aanschaffen · aanwerven · afnemen · behalen · belenden · bereiken · besturen · brengen · buitmaken · deelachtig worden · doorkomen · geleiden · grenzen aan · halen · inhalen · inkopen · inslaan · klaarspelen · kopen · krijgen · leiden · leiden tot · overnemen · raken · reiken tot · resulteren · slagen · slagen voor · teisteren · treffen · uitdraaien op · uitgaan · uitkomen · uitlopen · uitlopen op · uitstappen · uitstijgen · uittreden · verdienen · verkrijgen · verwerven · voeren · volgen · voortkomen · voortspruiten · voortvloeien · werven · winnen
Add example
Add