Translation of "opgaan" into Dutch

bestijgen, klimmen, uitgaan are the top translations of "opgaan" into Dutch.

opgaan verb grammar
+ Add

Afrikaans-Dutch dictionary

  • bestijgen

    verb

    “WIE mag teen die berg van Jehovah opgaan, en wie mag in sy heiligdom opstaan?”

    „WIE mag de berg van Jehovah bestijgen, en wie mag er opstaan in zijn heilige plaats?”

  • klimmen

    verb noun

    DIE geleentheid om alleen te wees, die pragtige natuurskoon en die kans om te gaan stap, klim en ski, lok baie vakansiegangers na die berge.

    VEEL vakantiegangers houden van de bergen vanwege de rust, het majestueuze landschap en de mogelijkheden om heerlijk te wandelen, te klimmen of te skiën.

  • uitgaan

    verb

    Net toe hy wou uitgaan, het n aardbewing begin.

    Net toen hij wilde uitgaan, begon er een aardbeving.

  • Less frequent translations

    • rijzen
    • uittreden
    • uitstappen
    • uitstijgen
    • zinken
    • afdalen
    • stijgen
    • uitlopen
    • uitkomen
    • naar beneden gaan
    • naar boven gaan
    • opgaan
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "opgaan" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "opgaan" with translations into Dutch

  • aangaan
  • ik weet niet of hij ziek is, maar ik ga het vragen
  • aanleggen · aanmaken · aanvullen · ageren · assureren · bedrijven · behoeden · beloven · beschermen · betuigen · beveiligen · bewerkstelligen · bezig zijn · bijwerken · borg staan voor · bouwen · completeren · construeren · dempen · doen · doorvoeren · effect sorteren · fabriceren · fitten · garanderen · handelen · in veiligheid brengen · installeren · invullen · laten · laten doen · leggen · maken · nakomen · naleven · opereren · optreden · plaatsen · poseren · realiseren · situeren · spekken · sponsoren · stationeren · steken · stellen · stoppen · supplementeren · te werk gaan · toezeggen · tot stand brengen · uitbrengen · uitloven · uitrichten · uitvoeren · uitwerken · uitwerking hebben · veilig stellen · verrichten · vervaardigen · vervullen · verwerkelijken · verwezenlijken · verzeggen · verzekeren · voleinden · volmaken · volschenken · voltrekken · vrijwaren · vullen · waarborgen · werken · zetten · zitten
Add

Translations of "opgaan" into Dutch in sentences, translation memory