Translation of "Ärger" into Dutch

woede, boosheid, ergernis are the top translations of "Ärger" into Dutch.

Ärger noun Noun masculine grammar

böses Blut (umgangssprachlich) [..]

+ Add

German-Dutch dictionary

  • woede

    名詞 女性

    Wut f =

    Bob konnte seinen Ärger nicht beherrschen.

    Bob kon zijn woede niet beheersen.

  • boosheid

    noun

    de hoedanigheid van het boos zijn [..]

    Ich spürte, wie Ärger in mir aufstieg und mein Gesicht ganz heiß wurde.

    Ik voelde dat ik rood aanliep van boosheid.

  • ergernis

    noun feminine

    Und wenn's jetzt mal wieder Ärger gibt, erledige ich das.

    En als er nu nog ergernis is doe ik er dit mee.

  • Less frequent translations

    • verdriet
    • ellende
    • geduvel
    • gelazer
    • gezanik
    • grief
    • korzeligheid
    • kwaadheid
    • misnoegen
    • moeilijkheden
    • narigheid
    • spijt
    • verontwaardiging
    • wrevel
    • leed
    • ontstemming
    • smart
    • zorg
    • bedroefdheid
    • beproeving
    • bestraffing
    • droefheid
    • gramschap
    • hartzeer
    • moeite
    • pijn
    • poging
    • straf
    • toorn
    • wee
    • zeer
    • zieleleed
    • akkefietje
    • desillusie
    • gedonder
    • ongerief
    • ontgoocheling
    • overlast
    • trammelant
    • verdrietelijkheid
    • verveling
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "Ärger" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Translations with alternative spelling

ärger adjective verb
+ Add

German-Dutch dictionary

  • slechter

    adjective

    " Wenn Sie die Russen ärgern wollen, beleidigen Sie die Iraner.

    " Wil je Russen ophitsen, praat dan slecht over Iraniërs.

Images with "Ärger"

Phrases similar to "Ärger" with translations into Dutch

  • ontstemd geraken · zich ergeren
  • ergeren · zich ergeren
  • I Love Trouble
  • The Trouble With Harry
  • aanstoot geven · aanwakkeren · bedroeven · boos maken · ergeren · grieven · hinderen · irriteren · kwaad maken · lastig vallen · ontstemmen · op stang jagen · opwinden · opzetten · overstuur maken · pesten · plagen · prikkelen · rechtop zetten · storen · stuiten · tarten · tobben · van zijn stuk brengen · verdriet doen · verdrieten · verhitten · verontrusten · verstoren · vertoornen · vervelen · werken op · zich ergeren · zich storen aan · zijn ongenoegen uiten
  • vervelend
Add

Translations of "Ärger" into Dutch in sentences, translation memory