Translation of "Ärgern" into Dutch

vervelend, ergeren, kwaad maken are the top translations of "Ärgern" into Dutch.

Ärgern Noun grammar
+ Add

German-Dutch dictionary

  • vervelend

    adjective

    Ja, sie fing an, mächtig Ärger zu machen.

    Ja, ze vond het erg vervelend.

  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "Ärgern" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Translations with alternative spelling

ärgern verb grammar

(total) nerven (umgangssprachlich) [..]

+ Add

German-Dutch dictionary

  • ergeren

    verb

    gevoelens van onvrede veroorzaken [..]

    Dieser Kerl ärgert mich nur so, ich musste einfach darüber schreiben.

    Die man heeft me zo geërgerd dat ik erover moest schrijven.

  • kwaad maken

    verb

    Und eines Tages tu ich vielleicht irgendwas, das euch ärgert, und dann bin ich dran.

    En op een dag doe ik misschien iets dat, uh, jullie kwaad maakt, en dan wordt ik gepakt.

  • op stang jagen

    Phrase

    Willst du mich ärgern?

    Wil je me op stang jagen?

  • Less frequent translations

    • vervelen
    • bedroeven
    • vertoornen
    • irriteren
    • verontrusten
    • overstuur maken
    • van zijn stuk brengen
    • plagen
    • storen
    • grieven
    • ontstemmen
    • verdrieten
    • boos maken
    • stuiten
    • tarten
    • verstoren
    • verdriet doen
    • pesten
    • opwinden
    • tobben
    • prikkelen
    • opzetten
    • aanwakkeren
    • verhitten
    • lastig vallen
    • rechtop zetten
    • werken op
    • zich ergeren
    • hinderen
    • aanstoot geven
    • zich storen aan
    • zijn ongenoegen uiten

Phrases similar to "Ärgern" with translations into Dutch

  • akkefietje · bedroefdheid · beproeving · bestraffing · boosheid · desillusie · droefheid · ellende · ergernis · gedonder · geduvel · gelazer · gezanik · gramschap · grief · hartzeer · korzeligheid · kwaadheid · leed · misnoegen · moeilijkheden · moeite · narigheid · ongerief · ontgoocheling · ontstemming · overlast · pijn · poging · smart · spijt · straf · toorn · trammelant · verdriet · verdrietelijkheid · verontwaardiging · verveling · wee · woede · wrevel · zeer · zieleleed · zorg
  • ontstemd geraken · zich ergeren
  • slechter
  • ergeren · zich ergeren
  • I Love Trouble
  • The Trouble With Harry
Add

Translations of "Ärgern" into Dutch in sentences, translation memory