Translation of "anfahren" into Dutch

afsnauwen, optrekken, aanrijden are the top translations of "anfahren" into Dutch.

anfahren Verb grammar

zusammenscheißen (derb)

+ Add

German-Dutch dictionary

  • afsnauwen

    verb
  • optrekken

    verb

    Eine Schwester stand in einem Bus, und als dieser abrupt anfuhr, fiel sie einem Mann auf den Schoß.

    Een zuster stond in de bus toen de chauffeur plotseling optrok, waardoor zij achteruittuimelde en bij een man op schoot belandde.

  • aanrijden

    verb

    tegen iets rijden, een botsing veroorzaken

    Ein Lastwagen hat den Hund angefahren.

    Een vrachtwagen heeft de hond aangereden.

  • Less frequent translations

    • aandoen
    • aanvaren
    • aanvoeren
    • overrijden
    • toesnauwen
    • afblaffen
    • aanlopen
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "anfahren" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "anfahren" with translations into Dutch

  • aankomst · aanpak · afstand · benadering · oprit · toegangsweg
  • aanvoer · toevoer
  • argumenten aanvoeren
  • aanhalen · aanvoeren · bedotten · beetnemen · besturen · bevelvoerend · bewijzen · citeren · gewag maken van · leiden · leidend · managen · noemen · stellen · vangen · vermelden · voor de gek houden · voorgaan · voorlopen · vooruit helpen
Add

Translations of "anfahren" into Dutch in sentences, translation memory