Translation of "reizend" into Dutch
charmant, bekoorlijk, innemend are the top translations of "reizend" into Dutch.
hold (veraltet) (gehoben) [..]
-
charmant
adjectiveDer Fächerschwanz ist ein so reizendes Vögelchen, daß sich jeder freut, der ihn sieht.
Ongetwijfeld hebt u het een heel charmant vogeltje gevonden.
-
bekoorlijk
adjectiveSalomo, einer der weisesten Männer, die je lebten, verliebte sich hoffnungslos in ein reizendes israelitisches Mädchen.
Salomo, een van de wijste mannen die ooit geleefd hebben, werd wanhopig verliefd op een bekoorlijk Israëlitisch meisje.
-
innemend
particleDieser reizende kleine Spießgeselle, der über die Hügel und durch Wald und Flur trappelt, ist unverwechselbar.
Dit innemende wezentje dat in heuvel-, weide- en bosgebied leeft, is gemakkelijk te herkennen.
-
Less frequent translations
- schattig
- snoezig
- snoeperig
- aardig
- gracieus
- leuk
- heerlijk
- beeldig
- verrukkelijk
- liefelijk
- betoverend
- sierlijk
- aantrekkelijk
- bevallig
- fraai
- prikkelend
- keurig
- zoet
- zacht
- lief
- vriendelijk
- aanbiddelijk
- elegant
- mild
- zachtaardig
- zachtmoedig
- zoel
- zachtzinnig
- stomp
- bot
- voorkomend
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "reizend" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "reizend" with translations into Dutch
-
driftig · fel · geprikkeld · geïrriteerd · korzelig · kribbig · opvliegend
-
stimulus
-
subliminale boodschap
-
aandrijven · aanlokken · aanporren · aansporen · aanstoken · aanvragen · aanvuren · aanwakkeren · agaceren · bekoren · bevallen · bieden · ergeren · intrigeren · irriteren · kwaad maken · lokken · op stang jagen · opbieden · ophitsen · opwekken · opwinden · opzetten · pesten · pijn doen aan de tanden of aan de zenuwen · plagen · prikkelen · rechtop zetten · sarren · stimuleren · tergen · uitlokken · verhitten · verontwaardigen · vertoornen · werken op · zwepen
-
aurora · morgenlicht · morgenrood
-
charme · sierlijkheid
-
betoverend · boeiend · fascinerend · opwindend
-
aantrekkelijkheid · aantrekkingskracht · attractie · begunstiging · bekoorlijkheid · bekoring · bevalligheid · charme · genadigheid · gunst · jeu · lokkertje · lokmiddel · prikkel · prikkeling · sierlijkheid · stimulatie · stimulus