Translation of "abridger" into Dutch

samenvatter, inkorter are the top translations of "abridger" into Dutch.

abridger noun grammar

One who abridges. [..]

+ Add

English-Dutch dictionary

  • samenvatter

    masculine

    one who abridges

    He was a prophet, a record keeper, and the abridger and compiler of most of the Book of Mormon.

    Hij was een profeet, een kroniekschrijver en de samenvatter en samensteller van het grootste gedeelte van het Boek van Mormon.

  • inkorter

    masculine

    one who abridges

  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "abridger" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "abridger" with translations into Dutch

  • afkorting · bekorting · beperking · compendium · excerpt · ingekorte versie · inkorting · korte inhoud · samenvatting · uitreksel · uittreksel · verkorting
  • korten
  • afkorting · bekorting · beperking · excerpt · inkorting · inkrimping · overzicht · resumé · samenvatting · uitreksel · uittreksel · verkorting
  • afbreken · afdraaien · afgeven op · afkammen · afkorten · aflaten · begrenzen · beknotten · bekorten · beperken · beperkingen opleggen aan · beroven · besnoeien · een streep trekken · excerperen · herleiden · in discrediet brengen · inkorten · inkrimpen · kleineren · kleinmaken · korten · laten zakken · neerhalen · neerlaten · reduceren · resumeren · ruïneren · samenvatten · strijken · te gronde richten · ten val brengen · trekken · vellen · verderven · vereenvoudigen · verkorten · verlagen · verminderen · vernederen · verootmoedigen · zetten
  • excerpt · overzicht · resumé · samenvatting · uittreksel
  • beknopt · verkort
  • afbreken · afdraaien · afgeven op · afkammen · afkorten · aflaten · begrenzen · beknotten · bekorten · beperken · beperkingen opleggen aan · beroven · besnoeien · een streep trekken · excerperen · herleiden · in discrediet brengen · inkorten · inkrimpen · kleineren · kleinmaken · korten · laten zakken · neerhalen · neerlaten · reduceren · resumeren · ruïneren · samenvatten · strijken · te gronde richten · ten val brengen · trekken · vellen · verderven · vereenvoudigen · verkorten · verlagen · verminderen · vernederen · verootmoedigen · zetten
  • afkorting · bekorting · beperking · excerpt · inkorting · inkrimping · overzicht · resumé · samenvatting · uitreksel · uittreksel · verkorting
Add

Translations of "abridger" into Dutch in sentences, translation memory