Translation of "achieve" into Dutch

bereiken, realiseren, verwezenlijken are the top translations of "achieve" into Dutch.

achieve verb grammar

To carry on to a final close; to bring out into a perfected state; to accomplish; to perform; -- as, to achieve a feat, an exploit, an enterprise. [..]

+ Add

English-Dutch dictionary

  • bereiken

    verb

    to carry out successfully; to accomplish [..]

    He achieved his purpose.

    Hij bereikte zijn doel.

  • realiseren

    verb

    to carry out successfully; to accomplish [..]

    Similarly, the standard of living of a country rises when it achieves sustained productivity growth.

    Evenzo zien landen hun levensstandaard stijgen als ze een aanhoudende productiviteitsgroei realiseren.

  • verwezenlijken

    verb

    This saving could be achieved from the strict application of the Union's existing legal framework.

    Deze vermindering kan worden verwezenlijkt als het huidige rechtskader van de Unie strikt wordt toegepast.

  • Less frequent translations

    • verkrijgen
    • verwerven
    • vervullen
    • behalen
    • bewerkstelligen
    • naleven
    • nakomen
    • uitvoeren
    • doorvoeren
    • winnen
    • voltrekken
    • verrichten
    • volbrengen
    • halen
    • slagen
    • presteren
    • klaarspelen
    • treffen
    • inslaan
    • inhalen
    • teisteren
    • raken
    • reiken tot
    • tot stand brengen
    • voltooien
    • maken
    • verwerkelijken
    • doen
    • doorkomen
    • slagen voor
    • uitbrengen
    • uitrichten
    • klaren
    • bedrijven
    • aanmaken
    • buit maken
    • geheel maken
    • brengen
    • leiden
    • waarborgen
    • voeren
    • garanderen
    • verzekeren
    • resulteren
    • geleiden
    • uitgaan
    • uitlopen
    • voortvloeien
    • uitkomen
    • verdienen
    • voortkomen
    • vrijwaren
    • vullen
    • beschermen
    • volgen
    • invullen
    • uitstijgen
    • aanvullen
    • volmaken
    • beloven
    • toezeggen
    • betuigen
    • behoeden
    • assureren
    • belenden
    • supplementeren
    • uitloven
    • verzeggen
    • voleinden
    • volschenken
    • uittreden
    • sponsoren
    • spekken
    • voortspruiten
    • uitstappen
    • dempen
    • completeren
    • bijwerken
    • beveiligen
    • besturen
    • stoppen
    • borg staan voor
    • grenzen aan
    • in veiligheid brengen
    • leiden tot
    • uitdraaien op
    • uitlopen op
    • veilig stellen
    • gelukken
    • ontvangen
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "achieve" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "achieve" with translations into Dutch

  • Quiet Achiever
  • actie · afloop · arbeid · consequentie · daad · eindresultaat · emplooi · gevolg · handeling · inlossing · karwei · naleving · overwinning · overwinningen · prestatie · prestatie f · realisatie · rendement · resultaat · succes · triomf · uitkomst · uitvloeisel · uitvoering · verdienste · verrichting · vervulling · verwerving · verwezenlijking · verworvenheid · victorie · voleinding · volledig wapen · voltrekking · voortvloeisel · wapenfeit · welslagen · werk · werking · zege · zet
  • geslaagd
  • presteerder · streber · uitvoerder
  • haalbaarheid
  • bereikbaar · doenbaar · doenlijk · haalbaar · haalbare · maakbaar · mogelijk · realiseerbaar · te doen · uitvoerbaar
  • verwerving
  • bedrijven · behalen · bereiken · bewerkstelligen · buit maken · doen · doorvoeren · klaren · maken · nakomen · naleven · presteren · tot stand brengen · treffen · uitbrengen · uitvoeren · verkrijgen · verrichten · vervullen · verwerven · verwezenlijken · volbrengen · voltooien
Add

Translations of "achieve" into Dutch in sentences, translation memory