Translation of "adherence" into Dutch
trouw, aanhankelijkheid, adhesie are the top translations of "adherence" into Dutch.
A close physical union of two objects. [..]
-
trouw
noun masculineop wie men steeds opnieuw een beroep kan doen [..]
In that way, some doctors even come to respect the Witnesses for their adherence to high principles.
Op die manier gaan sommige artsen de Getuigen zelfs respecteren om hun trouw aan hoge beginselen.
-
aanhankelijkheid
Trouwe steun voor een zaak of politieke partij of religie.
Enumeration type which determines the elevation surface with regard to its relative adherence to the Earth's bare surface.
Opsommingstype welk het hoogte-oppervlak bepaalt met betrekking tot zijn relatieve aanhankelijkheid tot het kale aardoppervlak.
-
adhesie
noununion of two objects
-
Less frequent translations
- getrouwheid
- trouw zijn aan
- gehechtheid
- verknochtheid
- loyaliteit
- toegenegenheid
- trouwhartigheid
- verkleefdheid
- toetreding
- plakken
- aanmelding
- kleven
- toewijding
- steun
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "adherence" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Phrases similar to "adherence" with translations into Dutch
-
gehecht aan · geplakt aan · vast aan
-
aanbakken · aanhangen · aankleven · aankoeken · blijven bij · congruent zijn · corresponderen · elkaar dekken · houden · in acht nemen · kleven · plakken · rijmen · samenhangen · trouw blijven aan · vasthouden · vastkleven · zich aanpassen · zich houden aan
-
aanhang · achterban · gevolg · leden
-
kleven · naleven
-
aanhanger · aanklevend · acoliet · adept · adhesief · discipel · kleef- · klevend · kleverig · volgeling
-
aanbakken · aanhangen · aankleven · aankoeken · blijven bij · congruent zijn · corresponderen · elkaar dekken · houden · in acht nemen · kleven · plakken · rijmen · samenhangen · trouw blijven aan · vasthouden · vastkleven · zich aanpassen · zich houden aan
-
aanbakken · aanhangen · aankleven · aankoeken · blijven bij · congruent zijn · corresponderen · elkaar dekken · houden · in acht nemen · kleven · plakken · rijmen · samenhangen · trouw blijven aan · vasthouden · vastkleven · zich aanpassen · zich houden aan
-
aanbakken · aanhangen · aankleven · aankoeken · blijven bij · congruent zijn · corresponderen · elkaar dekken · houden · in acht nemen · kleven · plakken · rijmen · samenhangen · trouw blijven aan · vasthouden · vastkleven · zich aanpassen · zich houden aan