Translation of "announcer" into Dutch

omroeper, omroepster, aankondiger are the top translations of "announcer" into Dutch.

announcer noun grammar

One who makes announcements. [..]

+ Add

English-Dutch dictionary

  • omroeper

    noun masculine

    TV or radio announcer [..]

    The announcer can talk rapidly.

    De omroeper kan snel praten.

  • omroepster

    noun

    With me tonight is my new color announcer, Gigi Silveri.

    Ik zit hier vanavond met een nieuwe omroepster, Gigi Silveri.

  • aankondiger

    Imagine, if you will, an announcer you can barely understand.

    Beeld je in, als je wil een aankondiger die je nauwelijks begrijpt.

  • Less frequent translations

    • presentator
    • meedeler
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "announcer" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "announcer" with translations into Dutch

  • huwelijksaankondiging
  • omroepers
  • to be announced
  • aandienen · aankondigen · adverteren · bekendmaken · melden · verkondigen
  • continuity announcer
  • aandienen · aangeven · aankondigen · aanmelden · adverteren · afkondigen · afroepen · annonceren · bekend maken · bekendmaken · binnenleiden · declareren · indoen · inleggen · inleiden · inschuiven · insteken · instoppen · introduceren · invoeren · inzetten · mededelen · meedelen · melden · openbaar maken · publiceren · ruchtbaar maken · signaleren · steken · uitspreken · verklaren · verkonden · verkondigen
  • boodschap van algemeen nut
  • aangekondigd · aangemeld · bekendgemaakt
Add

Translations of "announcer" into Dutch in sentences, translation memory